donderdag 15 januari 2015

Strandwandeling bij Zandvoort.


Het is zo’n zondag waarop je niets bepaalds in het vooruitzicht hebt. Je wordt wakker en denkt: “Wat wordt het voor vandaag?” Je pakt de Uitkrant, is er soms een concert wat geschikt is om in je dag te plannen. Blijf ik in bed en werk aan een verhaal, kopje koffie erbij? De zon staat stralend aan de hemel als ik mijn ogen opsla. Niets van dit alles: dit wordt een wandelzondag.

De dagen zijn kort zo vlak voor de kerst, ver kan je niet gaan. Ik besluit de trein naar Zandvoort te pakken. Zo komt het dat ik om twaalf uur in Zandvoort loop. Eerst zoek ik koffie: naar de winkelstraat maar; zal wel iets zijn. Ik vind een tentje dat koffie met appeltaart en slagroom biedt. Binnen oogt het ouderwets. Er brandt een gaskachel; bij het raam zitten mensen te eten. Bij het weggaan bedanken ze voor de service en het eten, naar tevredenheid zoals altijd. Mij vraagt de ober of ik de appeltaart warm wil. Ik zeg: “ja,” en denk meteen: “magnetron.” Maar het alternatief is misschien dat het uit de koelcel komt en ijskoud is, ik laat het maar zo.

Op het strand ben ik niet alleen; andere mensen zijn op eenzelfde idee gekomen op deze zonnige dag. Ik begin in zuidelijke richting het strand af te lopen. Dan zie ik een zeester langs de vloedlijn, en nog een, en nog een heleboel meer.  Overal liggen zeesterren en scheermessen, in dichte hopen met witte slierten van de dieren die in de schelpen leefden. Ik vraag me af of er een reden voor is dat er zoveel dode zeesterren zijn aangespoeld.

 
Ik fotografeer de zeesterren en een kraai die op zoek is naar voedsel in de bergen scheermessen die blijven aanspoelen. Ik laat nu Zandvoort achter me en de tegenwind voelt guur aan. Als ik nu eens door de duinen ga lopen en langs het strand terug?
 
Achter de duinen loopt een fietspad. Veel te beleven valt er niet. Afgezien van een enkele jogger of fietser kom ik niemand tegen. Toch loop ik er beschutter en ik passeer de strandopgangen tot er geen meer komen en ik toch weer naar het strand wil. Ik kom bij de grens met Zuid Holland; hier begint gemeente Noordwijk. Ik loop nog verder; hier zal ik toch weer naar het strand kunnen?
Als ik weer langs het strand loop staat de zon als een zilverwitte bol boven de zee. Hier, aan zee gebeurt het: grote drommen zeemeeuwen hebben de overdaad aan voedsel uit de zee ontdekt. Als je dichterbij komt vliegen ze op en landen op de zee. Een zeemeeuw heeft een zeester gevonden en speelt ermee, maar weet niet goed wat ermee aan te vangen. De zee brengt nieuwe scheermessen, die tinkelen in de aanspoelende golven.
 
Ik maak nog een oversteekje naar de andere kant van de duinen. Hier wandelt het duin. Het pad is afgezet met prikkeldraad en bordjes: “verboden toegang, zeewering”. Maar de wind heeft het zand weggeblazen: de houten paaltjes hangen aan het prikkeldraad en de ruimte eronder is zo groot dat je er makkelijk onder door kunt kruipen, zou je dat willen. Het zand ligt even verderop: daar zijn prikkeldraad en palen geheel bedolven onder zand. Ik daal af door het vochtige zand. Het voelt alsof je door een pak sneeuw waadt.
Het wordt nu later in de middag. Ik nader opnieuw de bebouwing van Zandvoort, maar de zon zakt al meer richting zeespiegel. Hoe lang gaat het nog duren eer de zon ondergaat, nog voor ik aan het eind van mijn wandeling kom? Ik treuzel een beetje want het spektakel van de zonsondergang boven zee wil ik ook meemaken.
 
Als ik het station bereik is het vijf uur. Weldra zal het donker invallen. Ik stap in, blij met de gedachte mijn fietslampjes te hebben meegenomen, voor het laatste stuk fietsen vanaf de trein. De trein vertrekt en het duister valt over de duinen; de eerste halte Overveen is in donker gehuld. Zo ging een zonnige winterzondag ook weer voorbij.

zondag 11 januari 2015

Wandeling langs Wodanseiken.


De Wodanseiken kregen bekendheid door de landschapschilders van de Oosterbeekse school, o.a. Mauve en Mesdag. Zij hadden een romantische kijk op het landschap en zij schilderden de grillig gevormde oude eiken langs de Wolfhezerbeek. Deze beek werd rond 1550 gegraven t.b.v . koren- en papiermolens. Sommige van de eiken langs de beek dateren uit die tijd. (Info op NS route-beschrijving.)

Een wandeling met een goed begin: de intercity doet er nauwelijks meer dan een uur over om Arnhem te bereiken en vanaf het NS-station is maar vijf minuten lopen naar een prachtig park. Bij het begin al stuit ik op een watermolen, die hier als bezoekerscentrum is ingericht. Binnen wordt koffie geschonken; het is er druk en rumoerig.
Ik vervolg mijn wandeling, kom langs het watermuseum. Even verderop is een watermolen opgeknapt en in bedrijf. In mijn ijver het rad goed te kunnen bestuderen klim ik naar boven.  Hier wreekt zich het feit dat ik geen wandelschoenen draag. Ik loop het liefst op oude schoenen die lekker zitten, met veel ruimte voor de tenen, maar zonder profiel. Op de gladde modderige kant glijd ik uit en val. Een kapotte knie en wat erger is: een kapotte broek. Blijkbaar heeft niemand mijn valpartij opgemerkt want geen bereidwillige voorbijganger biedt hulp of vraagt bezorgd of het gaat. Ik krabbel overeind.

Het park Sonsbeek is werkelijk prachtig getooid in herfstkleuren.  Het gaat over in het park rond landgoed Zypendaal. Daar stuit ik op twee enorme kastanjes, een stukje van de weg af, waarvoor ik graag een extra ommetje maak.



Het is tegen enen als ik bij een volgend landgoed een beetje de route kwijt ben. De beschrijving klopt op de een of andere manier niet. Misschien staat hier het woordje ‘links’ terwijl ‘rechts’ wordt bedoeld?

 
Landgoederen hebben vaak  vijvers; bij een zo’n vijver stop ik om mijn lunch te eten. Ik kan het niet nalaten, al zittend een paar foto’s te maken van de bomen in herfsttooi gereflecteerd in het water van de vijver.
Ik volg de geel-rode markering van het Veluwe Zwerfpad. Het is handig, als de routebeschrijving meeven in de steek laat, helpen de markeringen. De beschrijving kan verwarrend zijn als je in een bos loopt; alle bospaden lijken op elkaar en soms weet je niet waar in de beschrijving je je bevindt.
Net vóór Oosterbeek bereik ik de erebegraafplaats. Rijen,  dezelfde stenen met enkel namen. Er lopen mensen tussen de stenen, zoekend bestuderen ze de opschriften, alsof er niet inmiddels 70 jaar is verstreken.
Bij Oosterbeek verwacht ik hotel Dreyeroord te vinden, voor een rustpauze. Maar het hotel blijkt gesloten. Wel staat er een bordje bij met een foto, het verhaal vertelt hoe het hotel september 1944 beurtelings door de Schotten en de Duitsers werd bezet en tenslotte bloedig door de Schotten heroverd.
 
Ik passeer de 1000-jarige den. Die was geen 1000 jaar oud toen hij omviel. Dat was de benaming van de plaatselijke bevolking ervan. In werkelijkheid schat men zijn ouderdom op 450 jaar. De herfststormen van 2006 velden de oude reus.
Temidden van de bossen staat hotel Wolfheze van de Bilderberg Groep. Ik ben geïmponeerd door de statigheid en de grandeur van het hotel. Maar mijn trek in koffie is zo groot dat ik me binnen waag en bij de receptie vraag of ik er koffie kan drinken. “Natuurlijk,” is het antwoord, “in het Grand café.” Ik plof neer op het eikenhouten meubilair en krijg een kop koffie met koekje.
Ik ben even aan rust toe. Maar veel tijd is er niet, want het is al vijf uur en de Wodanseiken staan nog steeds op het programma. Om de bossen te doorkruisen in je eentje heb je daglicht nodig. Als ik mijn koffie op heb sta ik op om af te rekenen.
 
 
Opeens sta ik tegenover de Wodanseiken. Als er geen bordje langs het pad had gestaan, was ik misschien voorbij gelopen. Volgens het bordje zijn het er vijf. Ik tel er vier; misschien moet de begroeide stronk op de voorgrond worden meegeteld, heeft inmiddels een eik het loodje gelegd? Het wordt niet duidelijk. Echt dichtbij komen kan niet; de bomen staan aan de overkant van de beek, waar weliswaar geen water doorstroomt maar te diep is om op je gemak door te klimmen.

 
Na de Wodanseiken blijf ik de beek volgen. Ik ben nieuwsgierig naar de hei, die zich boven mij bevindt, maar als ik naar boven klim blijkt dit enkel een vlakte met pijpenstro en uitgebloeide heidestruiken, zodat de route beneden langs de beekbedding weer oppak. Even later kom ik bij een beek waar wel water doorstroomt. Het blijkt dat Natuurmonumenten de beken weer in de oude staat wil terugbrengen. Ook kom ik langs een vennetje dat er te schilderachtig uitziet om niet even een foto van te nemen.
 
Via het Ecoduct steek ik de A50 over. Het is al zes uur, onderweg raak ik altijd tijd kwijt door foto’s en extra ommetjes. Ondanks dat ik flink de pas erin heb gezet, sinds de Wodanseiken. Het NS-station van Wolfheze bereik ik, net vóór het duister invalt.
 
 
 

zondag 4 januari 2015

Winterwandeling over de Langenberg.


Bruchhausen is een dorpje in Sauerland en bekend om de ‘Bruchhauser Steine’, vulkanische rotsen die uitsteken uit een bergtop, ooit ontstaan door een vulkaanuitbarsting miljoenen jaren geleden. De ‘Bruchhauser Steine’ zijn het doel van onze wandeling op de eerste dag van 2015.

We zijn met z’n tweeën en we zoeken een lift. Het huis Savita waar wij logeren is nog in rust na de Oudejaarsviering van de vorige avond. Alleen een groepje vroege wandelaars zitten aan het ontbijt. We mogen de auto van de eigenaar lenen om ons naar Bruchhausen te brengen; helaas start de auto niet. Voor de bus waarvan ik de tijden heb opgezocht zijn we inmiddels te laat. We besluiten de wandeling in omgekeerde volgorde te lopen, zodat we op pad kunnen gaan.

 
De zon schijnt, op de Nieuwjaarsochtend; de koude prikkelt in onze neusgaten. Toch is het niet koud, de temperatuur schommelt rond het nulpunt. De sneeuw van de afgelopen dagen dooit overdag, terwijl het ’s nachts licht vriest. Onze weg voert naar boven; de Langenberg (843 m.) is toevallig wel het hoogste punt van Nordrhein Westfalen! Het begin verloopt via een verharde weg die ook wordt gebruikt door boeren die hier land hebben. Geleidelijk aan wordt de weg voetpad, voert langs een bosrand waar een stroompje over het pad vloeit. Ook is er een stuk waar we redelijk steil naar boven klimmen, tussen boomwortels. De routes hier zijn gemarkeerd hoewel soms de markeringen verdwenen zijn of op onlogische plekken zijn aangebracht.
Maar daarvan hebben wij geen last; al eerder liep ik deze weg naar boven, zowel in de zomer als ook nu in de winter. De weg loopt nu een stukje oostelijk. We verbazen ons over de hoeveelheid ijzel aan de bomen. Dikke druppels dooiwater zijn nog herkenbaar in hun bevroren vorm aan de takken, damp in draden bevroren aan de twijgen en naalden.
 
 

We bereiken Oberer Burbeckeplatz. Van hieruit is het nog een klein stukje naar de top van de Langenberg. Hier begint ook de ‘Rothaarsteig’, een lange afstand wandelroute, die we de rest van onze tocht zullen volgen. Het bos wordt opener naar de top toe. Nog steeds lopen we door een sprookjesbos van wit beijzelde vormen. De zon vonkt op de sneeuw waardoor de sneeuw diamantjes lijkt te bevatten.
Onze mutsen laten we af en ook de handschoenen uit. Hoewel de temperatuur nog steeds rond het vriespunt moet schommelen hebben we daarvan geen last. ‘Wintersportweer’, noemt de medewandelaarster het. Ik ben verkouden, zij zegt keelpijn te hebben, het weerhoudt ons niet, de natuur geeft ons extra energie ter compensatie van de lichaamsinspanning.
Op de top van de Langenberg staat een kruis. Veel uitzicht is er niet vanaf de top, de hellingen verlopen flauw en het bos beperkt het uitzicht. Vanaf hier lonkt het onbekende, de route naar het noorden liep ik niet eerder. In mijn rugzak zit een nieuwe kaart en we hebben de route markeringen om ons aan te oriënteren.
 
Als reuzen staan hoge sparren op de hellingen; soms kan je gewoon de blauwe lucht onder de stammen door zien. Ze torsen een gewicht aan ijzel dat lijkt toe te nemen nu wij de top zijn over gestoken. Sommige takken buigen door onder het gewicht van de ijzel, we moeten ons bukken om eronder door te lopen.
 
 

Verder en verder voert de route ons naar het noorden, op gelijke hoogte; het lopen valt niet zwaar en de route aanduidingen zijn veelvuldig. We pauzeren om wat het eten van de meegebrachte lunch. Ik zit op mijn regenbroek gewoon op het pad, de medewandelaarster blijkt een opklapbaar stoeltje in haar rugzak mee te dragen. Koud krijgen wij het niet; de zon voelt warm.
We dalen; het valt ons op dat de naaldbomen minder ijzel hebben, even verderop is het bos zelfs helemaal groen. Weg is de pracht van het beijzelde toverbos, hier ligt zelfs nauwelijks nog sneeuw. Af en toe passeert een andere wandelaar; een man waarschuwt ons: het pad dat we gaan betreden is glad. De samengeklonterde sneeuw, aan de bovenkant vochtig is door de dooi, daar glijd je op uit. We groeten hem en betreden voorzichtig het paadje. Verderop staat een schuilhut; op het bankje gaan we zitten, onze gezichten naar de zon gekeerd. Even vergeten we ons doel dat nog verder wandelen naar het noorden inhoudt.
Dan komt Bruchhausen in zicht. Beneden ons ontwaren we de eerste huizen. We vragen aan twee bewoners of we ergens koffie kunnen drinken en krijgen een omslachtig antwoord, waaruit we begrijpen dat het weinig uitmaakt of we de ‘Rothaarsteig’ blijven volgen of naar het dorp afdalen. In beide gevallen is er horeca. Alleen moeten we ‘eine Wiese übertrammplen’. Nou ja, we zien het wel.
We bereiken het bezoekerscentrum dat behoort bij de ‘Bruchhauser Steine’. Het is half drie, puf om naar boven te lopen en de stenen te gaan bekijken hebben we niet. Eerst een kopje thee van de mevrouw in het bezoekerscentrum. Hoe komen we weer thuis? De medewandelaarster roept vertrekkende bezoekers aan, of ze soms onze kant op gaan. Nee, niemand gaat erheen; waar ze wel naartoe gaan vertellen ze niet; zo toeschietelijk zijn Duitsers nu eenmaal niet. Een man zegt dat hij ‘zu Fuss’ is, hebben we ook niets aan.
Bussen rijden niet op de Nieuwjaarsdag, informeert ons de mevrouw die thee schonk. We zijn weer binnen en lezen de informatieborden over de ontstaansgeschiedenis van het gebied. We slagen erin iemand van het huis aan de telefoon te krijgen en hij belooft ons op te halen. Ondertussen bestellen we nog maar een kopje koffie bij de vriendelijke mevrouw, die op een geheel eigen Duitse manier, toeschietelijk is.
 




donderdag 25 december 2014

Zomerwandeling in Sauerland.


Morgen vertrek ik naar  Savita in Sauerland: hier het verslag van een wandeling van Winterberg naar Savita in Niedersfeld. Savita is een voormalig ‘Luftkuhrort’, ingericht als gezondheidscentrum onder Nederlandse leiding en gerund door vrijwilligers. Onderstaande wandeling vond plaats afgelopen zomer.

Een bezoekje aan Winterberg is door mijn metgezellen gepland in de namiddag. Zij houden zich bezig met het ordenen van de bibliotheek op Savita. Zij willen boekensteunen aanschaffen om de inrichting te vervolmaken. Omdat ik Winterberg als startpunt van een wandeling heb uitgekozen besluiten we ’s ochtends te gaan met de auto.
Ik wil een extra wandelkaart toevoegen aan mijn collectie. De kantoorboekhandel verkoopt geen wandelkaarten. De VVV zal toch kaarten verkopen? ‘ Turist Information’ heet het in Duitsland en we worden naar een park verwezen, naar een eivormig gebouw waar de dienst is gehuisvest. Ik heb mijn zinnen gezet op een geografische kaart; de populaire wandelkaarten laten soms paden zien die er niet zijn of ergens anders lopen. Die heeft de ‘Turist Infomation’ niet. Later blijkt dat wandelkaarten prima voldoen in combinatie met de route-markeringen. Elk dorp heeft zijn eigen – gemarkeerde-  routes die staan aangegeven op de kaarten.

Pad door de kloof waar het riviertje Helle doorstroomt.

We naderen het middaguur en we drinken koffie op een terras. Zo meteen zullen we uitelkaar gaan en ik moet mijn weg terug zelf vinden.  Ik ben een beetje gespannen:  Ik ben weliswaar uitgerust met kaarten en kompas maar onbekend met het gebied. Aan de ene kant verlang ik alleen en op weg te zijn, tegelijk wil ik het gezelschap van mijn metgezellen niet los laten.
12.30 Het park, waar zich het toeristeninformatiecentrum bevindt en een openlucht theatertje is meteen het beginpunt van mijn wandeling. Het Schluchten- und Brückenpfad begint hier meteen langs het park, het volgt een pad op de bodem van de kloof die tot in Winterberg loopt. Hier begint ook de Rothaarsteig, een bekende lange afstand wandelroute.


Bodensee in de 'Schlucht' bij Winterberg.
Ik volg het Schluchtenpfad; het leidt naar beneden, is dicht bebost en volgt een murmelend riviertje op de bodem van de kloof. Ik volg dit pad tot het einde van de kloof bij een meertje dat ‘Bodensee’ heet en waarvan het water zo stil is dat het de omgeving perfect weerspiegelt.


Uitgebloeide wilgenroosjes, onderweg van Ekeringhausen naar de Ruhrquelle
13.15  Aan het eind van het meertje zie een voetpad naar Ekeringhausen. Het ligt een beetje verstopt, rechts in het midden, als je het meer rondt, een graspad tussen begroeiing met een bordje. Dit veelbelovende pad eindigt al spoedig bij een verkeersweg, zodat ik met behulp van het kompas mijn richting bepaal. Ik wil de ‘Ruhrquelle’ niet missen, de bron van de Roer.
Sauerland is bebost en bergachtig. Het betekent dat een weg naar beneden of omhoog loopt. Hett vertekent de afstanden, stijgen kost extra kracht en tijd. Het gebied waar ik nu loop is echter vlak wat het lopen saai maakt. De zon schijnt; het is warm. Steeds volg ik de bordjes ‘Ruhrquelle’, dan weer een stuk verkeersweg, ‘Ruhrquelle 2,2 kilometer’, dan begint de kruis ik de Rothaarsteig. Nu wordt het pad zoeken gemakkelijker, enkel de bordjes volgen.


De bron van de Roer. Valt een beetje tegen, zo’n onnozel klein stroompje.
14.50 Na 2 ½ uur bereik ik de bron. Plotseling bevindt ik me in gezelschap van anderen, terwijl ik eerder geheel alleen onderweg  leek te zijn. Een paar fietsers met zwaarbeladen vehikels en dagjesmensen pauzeren op de bankjes. 

Even verderop ben ik weer alleen in het bos. Ik volg nog steeds de bordjes van de Rothaarsteig, dan kruis ik de Winterbergerhoch Tour. Ik sla linksaf en volg nu het WHT. Het loopt eigenlijk best prettig. De gemarkeerde routes hebben bovendien het voordeel dat de mooiste paden door het gebied worden gevolgd.

 


Bos nabij de Entenwiese, tegen de zon in gefotografeerd en met de lucht zichtbaar tussen de stammen.
Ik volg de weg door een bos met hoge naaldbomen. De naaldbomen zijn aan de onderkant kaal en omdat ik omhoog kijk naar bomen hoger op een helling zie ik de lucht tussen de stammen door. Ik neem er een foto van.
15.30 Ik bereik de Entenwiese, een klein poeltje waarin het omringende bos weerspiegelt. Er staan twee blokhutten, waar ik even pauzeer. Lange pauzes neem ik niet, daarvoor ben ik te onrustig. Deze wandeling schiedt niet op. Om zes uur wordt er gegeten op Savita en het eten, met name de desserts op Savita wil je niet missen!  Ik vervolg mijn weg, maar even verderop lijkt  mijn route niet meer te kloppen. Terug naar de blokhutten, ertussen verscholen blijkt het pad naar beneden te lopen.


Kerkje en vakwerkhuis in Grönebach.
Ik volg het pad dat langs een bosrand naar beneden loopt, daarna langs een grasrand en door weilanden, tot het uitkomt in het plaatsje Grönebach. Deze lieflijke weg is eigenlijk het mooiste deel van de gehele route.
16.15 Grönebach heeft minstens twee Gasthöfe, maar ik bezoek ze niet want ik heb nog steeds haast. Ik neem ook geen pauze, ik volg het WHT naar Hildfeld. Volgens de kaart splitst het WHT zich hier en kun je op twee manieren naar Hildfeld: het loopt ook rechtdoor langs de verkeersweg en langs het beekje Gröne. Ik steek in Grönebach de verkeersweg over en volg de route verder naar het noorden.
De weg naar Hildfeld verloopt langs graspaden, beneden zie ik de verkeersweg met auto´s op weg naar Niedersfeld.  Een stukje  van de weg voert steil naar beneden. In Hildfeld aangekomen verlaat ik het WHT; ik sla rechtsaf het dorp in, richting ‘Dorfsbrunnen’, om de kerk, en dan zie ik het bordje: Niedersfeld 3,3 km.
Heidedorf is een langgerekt dorp dat tegen Niedersfeld aanligt. Ik volg de stille weg en kom een man op de fiets tegen: hij groet. Komt er nooit een eind aan deze weg?  Beneden me zie ik het stuwmeer Hillestausee liggen, hier begint Niedersfeld, maar omdat het dorp ook al langgerekt is heb ik mijn bestemming nog verre van bereikt.
17.15 Ver beneden me ligt het meer, op de flanken grazen koeien. Ik ben nog niet genoeg bekend in Niedersfeld, daarom weet ik niet dat ik bovenlangs de weg kan bereiken die langs Savita loopt. I.p.d. daal ik af naar het dorp, en klim weer naar boven om langs de weg die ik ken naar Savita te lopen.

18.15 Het eten wordt binnen gebracht en we schikken aan tafel. De afstand Winterberg – Niedersfeld over de weg is maar 9 kilometer. Waarom had ik 5 ½ uur nodig om de afstand te voet te overbruggen?  Wordt vervolgd!

 

dinsdag 16 december 2014

Wandeling met zussen.


Met twee zussen heb ik een wandelafspraak bij ‘Lekker Puh’, een eetcafé in het plaatsje Groet. Kwart over elf, heb ik gemaild zal ik aankomen. Het is twintig minuten over elf als de bus Groet binnenrijdt en ik een sms hoor binnenkomen. Mijn halte is de volgende en ik ga alvast klaarstaan, rugzakje om en weekendtas onder de arm.  Eenmaal op straat loop ik verder; ‘Lekker Puh’, herinner ik me ligt verder in de rijrichting van de bus. Daar zie ik al een van mijn zussen; ik zwaai.
Jongste zus wacht bij de auto; ik gooi mijn weekendtas achterin. Maar eerst haal ik er een trui uit. Het zachte najaarsweer is omgeslagen. In het noorden vriest het al ’s nachts, de wind is kil. Daar heb ik me op verkeken toen ik in Amsterdam de deur uitstapte. In de luwte van de  stad, tussen de huizen is de kou nog niet doorgedrongen.

We stappen het café binnen, eerst een koffiemoment, vind ik. De wandeling heb ik georganiseerd ter gelegenheid van mijn verjaardag.  Lekker warm binnen bij het raam, vlot het gesprek. Opeens hebben we geen haast aan de wandeling te beginnen. Bij het weggaan roepen we een groet, maar er komt geen antwoord. De zussen bespreken hoe groeten in Nederland toch wel de gewoonte is, i.t.t. sommige buitenlanden. Het is over twaalven als we een weg zoeken het dorp uit, naar de duinen. Hier neemt oudere zus de leiding over. Toegegeven: mijn kaartje is zwart-wit en niet zo duidelijk. We gaan een gemarkeerde route lopen, beslist zij, eerst de rode stippen en daarna over op wit. We kunnen nog kiezen ook: vijftien kilometer of de langere van twintig? Ik zeg niets, weet dat het invallen van de duisternis de lengte van de wandeling gaat bepalen, maar ben blij dat zij er zin in hebben.


De zon die verdwijnt achter de wolkenbank, maar blijft toch zichtbaar als een lichte streep. (foto oudere zus)
 


De herfst in de duinen bij Schoorl, waar bos overheerst is nog niet vervlogen. De herfststormen bleven uit tot nu en bruine bladeren kleuren aan de takken. Maar waar zijn we nu? Het bordje wijst aan: ‘hier staat u’. We hebben meteen al afgestoken; de eerste slinger van de route gemist. Nou ja, we kunnen verder naar het zuiden doorlopen als de wandeling tekort dreigt te worden.
We komen aan boven op de duinrand. Er staat daar een prima bankje, alleen zit er een meneer op. Boven aan de trap blijven we staan: prachtig dat uitzicht zo over de duinen met daarachter de zee. Een wolkenbank trekt op uit zee; de zon is nog net zichtbaar, lang zal dat niet meer duren. “Zullen we de meneer vragen of we erbij mogen zitten?” Niet nodig, de meneer gaat uit zichzelf al weg; zijn telefoontje heeft hij net afgerond. We vleien onze rugzakjes neer en halen onze lunch tevoorschijn. Van zitten op het bankje komt niet veel; te koud. We vermaken ons door een groepsportret te schieten van de drie gezusters.
Afdalen van het duin langs een trap en daarna voorbij een parkeerterrein richting strand.  Het waait langs het strand, het zand stuift. Langs de duinenrij is nog de meeste luwte. We passeren een houten stellage, van een horecatent die is afgebroken voor de winterperiode? Of een verenigingsgebouw voor windsurfers?  Een grote roze big op een paal markeert de plek. Zeker om duidelijk te maken dat die plek aan iemand toebehoort.
In zee liggen pieren, we stappen over de aanlopen van basalt. Bij Paal 30 willen we de duinen weer in; geeft meer beschutting dan het open strand. Er is een opening tussen de duinen met daarachter een ziltige moerasvlakte, waar de zee bij hoog water binnenstroomt. De wind striemt ons tegen over de moerasvlakte. We pakken de route met de witte stippen weer op. Helaas staan de routes niet op mijn kaartje aangegeven, zodat we niet met 100% zekerheid weten waar we naartoe lopen. Geeft niet.        
 
                                     Knoestige vormen, vergroeid door de zeewind. (foto oudere zus)
 
Het bos is mooi. De gaspeldoorn bloeit. We raken in discussie over waar we eerder bloeiende gaspeldoorn zagen. Op het eiland Guernsey ten zuiden van Engeland zag ik de struik bloeien in december. En op de Scilly Islands ten westen van Engeland, waar een subtropisch klimaat heerst, bloeide de gaspeldoorn volop  in april. Maar hier, hoort hij hier niet in mei in bloei te staan?
Oudere zus heeft een thermoskan thee in haar rugzak. We zoeken een bankje on halt te houden. We lopen op een cross route en moeten steeds opzij voor crossfietsers. Op een kruising van paden staat een bankje. Terwijl de zussen de kaart bestuderen loop ik naar boven. Er belooft daar uitzicht te zijn, maar eenmaal boven zie ik alleen meer bos.
De zussen, gebogen over het routekaartje.
 
De zussen willen nu precies weten waar we zitten. De paden hebben namen die soms op mijn kaartje staan aangegeven. Bleijdensteinweg kruisen we en de Lovinkslaan. Ha, nu is duidelijk waar we ons op de kaart bevinden. De Lovinkslaan uitlopen, ’t Boshuis voorbij en dan min of meer rechtuit. Helaas draait het pad rond en even later lopen we een andere richting dan we wilden gaan. Ik heb een oplossing voor deze kronkelende paden: kompas erbij en richting noord aanhouden.
Groeneveldselaan, Klimweg, die gaat inderdaad omhoog, we klimmen. Nu bevinden we ons aan de rand van het dorp Schoorl. Eigenlijk heb ik het bezoekerscentrum in gedachten. Het staat op een mooie plek in een duinkom en langs een hoge duinrand. In de tweede wereldoorlog was op die plaats een werkkamp gevestigd. Het informatiecentrum heeft horeca met enorme ramen met zicht hebt over de hele duinkom. En ik wil trakteren vanwege mijn verjaardag.
 
Jongste zus en ik voelen wel iets voor een bakje. Maar oudere zus heeft nog thee in haar rugzak. Is toch zonde van het geld, vindt ze. We lopen door het winkeltje en bekijken de pluche speelgoedbeesten: leuk cadeautje voor een kleinkind.  Zo komen we toch in de horeca terecht. Oudere zus vraagt soep, maar helaas de keuken is al dicht. Jongste zus en ik nemen gebak bij de koffie en ik betaal, want zij betalen voor de benzine van de terugreis. Zo lossen wij het op.

Als we buiten staan is het te donker om verder door het bos te lopen. Langs de verkeersweg nog twee kilometer naar Groet, stevig de pas erin. Jongste zus klaagt over haar voeten; ze heeft nieuwe steunzolen. Bij de auto krijg ik een zoen en een verjaarscadeau, dat ik uitpak bij het binnenlichtje van de auto. Oudere zus zegt nog iets over soep eten, maar het dringt niet door.
Pas later, als het bochtige weggetje dat de navigator van jongste zus ons laat rijden achter ons ligt, op weg voor een lange rit over de Afsluitdijk, denk ik terug aan een warme ruimte, comfortabele stoelen, gezelligheid.  Hadden we bij ‘Lekker Puh’ mijn verjaardag verder kunnen vieren met een kom soep?
Als ik de zussen het verhaal laat lezen zijn ze enthousiast. Ze moeten erom lachen en oudere zus herinnert zich niets over soep. Ik ben blij met hun positieve reacties. Lekker Puh!
 
 
 




 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 
 

vrijdag 12 december 2014

Wandeling onder laagstaande zon.


Het is half tien als ik als laatste aankom op het afspreekpunt; twee andere mensen stappen in de auto, de wandelbegeleider achter het stuur. Tot mijn verrassing stapt een vrouw in die mij zoveel problemen bezorgt omdat ik over haar schreef in mijn blog. Wat zal dat worden? Wij rijden naar het Amstelstation waar sinds jaar en dag het tweede opstappunt is. Hier verzamelen de mensen die in een tweede auto mee gaan rijden. De auto’s rijden achter elkaar en doen hun best elkaar niet uit het oog verliezen want dan moet er worden gebeld en gezocht om elkaar terug te vinden.

Bij het Amstelstation stapt de begeleider uit; hij mompelt dat de tweede chauffeur ambtenaar is die wel strikt om tien uur gaat komen. Zelf is de begeleider altijd ruim op tijd, ik heb me al aangewend ongeveer een kwartier te vroeg op het afspreekpunt  te komen; hij staat er dan al. Nu wordt het wachten.

Onder de laagstaande november zon rijden we langs Schiphol  het groene hart in. De wandeling is gepland in het gebied rond Nieuwveen, het Zuid-Hollandse plassengebied waar al heel vroeg turf werd gewonnen. Een bordje bij de kerk in Nieuwveen vermeldt dat hier in de dertiende eeuw al een kerkje stond, zien wij later.


Het begin van de wandeling langs een dijk met fietspad.
 
We rijden naar het plaatsje Langeraar, waar we de auto’s parkeren op een parkeerplaats bij het dorp. De parkeerplaats wordt goedgekeurd. Een belangrijk criterium voor een goede parkeerplaats: ‘Kun je er plassen?’ Hoewel deze parkeerplaats aan een rij huizen grenst, is er ook een strook groen. We drinken koffie die we hebben meegebracht in thermoskannen. Omdat ik jarig zal zijn de volgende dag heb ik gevulde speculaas meegenomen voor bij de koffie.
De lucht is heiig, de temperatuur rond 15° C. De zon verspreidt een wit licht waarvoor je je ogen afschermt om niet verblind te raken. Al pratend gaan we op weg. We kennen elkaar van eerdere wandelingen; de afgelopen vijf jaar nam ik regelmatig deel aan deze groepswandelingen. We lopen langs de Langeraarsche plas; daarna de Geerpolderplas tot aan Bilderdam. Veel glastuinbouw zien we om ons heen, polderdijkjes en kanalen. We komen bij de Amstel, die hier Drecht heet, zoals wij vroeger met aardrijkskunde leerden, en daarna Aar. Een bordje wijst naar de Sfeerstal, onze horeca, maar zover is het nog niet, eerst een rondje langs Nieuwveen.
In Nieuwveen houden we halt bij de katholieke kerk: zo’n kerk gebouwd in de negentiende eeuw toen de katholieken eindelijk hun eigen kerken mochten bouwen. De kerk van Nieuwveen is gewijd aan de heilige Nicolaas. Naast de kerk is een wandeltuin ingericht, compleet met insectenhotel.
Kerk van Nieuwveen, gewijd aan de heilige Nicolaas met wandeltuin.
 
“Ik geloof niet in een leven na de dood,” hoor ik de vrouw zeggen, die zoveel problemen heeft met mijn blog. Een wandelvriendin vraagt of ik boos op haar ben. Zij heeft mij een mail gestuurd maar daarop geen antwoord ontvangen. Ik begrijp niet waarom ik boos zou worden omdat iemand mij een mail stuurt. Moet ik boos zijn? Ja, ik ben boos, omdat mensen problemen hebben als ze in een verhaal voorkomen, maar niet de moeite nemen mijn blog te lezen.
Bij de Sfeerstal zijn alle tafels bezet en de rest gereserveerd voor een groep. Dat is een teleurstelling, want we zijn toe aan een pauze. We mogen wel in de tuin zitten en omdat het zulk mild weer is en met truien aan is dat best aangenaam. Een mevrouw die we onderweg tegenkwamen en die alleen wandelt, neemt naast ons plaats aan een tafeltje.
Talloze hekken langs de Ringvaart van de Schilkerpolder.
 
Er moeten op deze wandeling wat hekken worden genomen en ze zijn ongewoon hoog. Volstaat bij een hek meestal een opstapje; hier zijn het er twee. Een jaar geleden wandelden we in dit gebied; een nieuwe mevrouw had zich aangemeld. Zij was pas geopereerd aan een heup, wat haar beperkte in haar bewegingen, we moesten haar over de hekken heen helpen. Ik heb haar sinds niet meer teruggezien.
Na de horeca pauze lopen we naar Papenveer. Langs de ringvaart zien we nog meer kassen waar de zon op schijnt en die weerspiegelen in het water, waardoor de illusie van een glazen stad wordt versterkt. Bij Papenveer steken we de N461 over. Het stukje wat erna komt is wel het mooiste van de hele wandeling: het kerkpad van Papenveer naar Langeraar. Het bijzondere ervan is dat het pad dwars door de plassen loopt, omzoomt door wilgen en andere bomen.
De glazen stad.
 
In Langeraar bezoeken we nogmaals een katholieke kerk: de Franciscus en Clara kerk. We willen wel even binnenkijken, maar alleen het voorportaal is toegankelijk. Je kan er kaarsjes opsteken alleen zijn die op. Wie was die Clara? Het antwoord komt uit katholieke hoek: zij was de muze van Franciscus.
Onze wandeling wordt besloten op het parkeerterrein, waar tafel en krukjes worden uitgezet en wij een borrel kunnen nemen, het krat met dranken is meegebracht in de auto. Terwijl wij napraten doet de begeleider de administratie, bij sommigen wordt de prijs van de wandeldag automatisch afgeschreven; anderen betalen contant. Zo is iedereen gelukkig en tevreden over dag met het lopen van een volkomen zinloos rondje van 15 kilometer.
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

vrijdag 5 december 2014

Beklimming Mount Snowdon?





Het is 1993 op een wandelvakantie in Wales. Een beklimming van Mount Snowdon, de hoogste berg van Wales, 1.085 meter hoog is in het programma opgenomen. Omdat de weerssituatie in het gebied nogal onstabiel kan zijn is het programma zo opgebouwd dat  met een rondtrekkende beweging om de berg wordt heengetrokken met overnachtingen in jeugdherbergen aan de voet. Op die manier bestaan meerdere kansen een gunstige dag voor de beklimming te treffen. Zaterdag 7 augustus was de laatste mogelijkheid Mount Snowdon te beklimmen.

Onze laatste wandeldag begint volgens het programma met een stevige klauterpartij. We beginnen met hetzelfde weggetje waarlangs we de dag ervoor naar beneden kwamen. Het bruggetje met het watervalletje, waar we foto’s namen steken we over. We lopen langs de oever van Llyn Bochlwyd naar de Devil’s Kitchen, een waaier van puin waar een pad doorheen loopt. Het is stevig klimmen op de vroege ochtend. We nemen foto’s van de klimpartij; het uitzicht is nog goed.
Devil's Kitchen met de duivels ernaast.
 
Bijna boven houden we pauze, uit de wind. We kleden ons beter aan, want de wind komt over de rotsen aanwaaien en ijle mistflarden drijven erin mee. Spoedig zitten we midden in de mist. We klimmen naar de top van Y Garn (946 m). Op de top is een vlakke plek uitgespaard met stenen erom heen. We vormen in een cirkel en eten een boterham. Anderen die de top bereiken kunnen er niet meer bij. Er zijn drie Welshe jongens die bananen en chocola bij zich hebben. Ze pauzeren om extra kleren aan te trekken. Er zijn er twee die in korte broekjes en t-shirt de berg oprennen; één ervan heeft een hond bij zich.
Lunch op de top van Y Garn.
 
 
 
We dalen af  en vervolgen onze weg. De regenjassen gaan aan, want de mist gaat over in motregen.. Nog steeds komen we mensen tegen; we stappen van het pad af om hen te laten passeren en zij bedanken ons.
Ergens gaat het mis. Later wordt gezegd dat we boven hadden moeten blijven, i.p.d. zijn we naar beneden afgezakt. Het pad waarop we lopen wordt smaller en smaller. Meer geschikt voor schapenpootjes dan voor onze bergschoenen. Sommige stukken zijn zo moeilijk dat er nauwelijks ruimte is je voeten neer te zetten. En dan is er die steile helling naast je. En de mist die al het zicht beneemt. Tenslotte moeten we tot de conclusie komen: we moeten terug.
We draaien om en omdat ik achteraan liep, loop ik nu voorop. Eerder liep ik achter degene die voor me liep, nu moet ik verder kijken. Ik zie de steile helling met nauwelijks ruimte om te lopen en het schiet door me heen: “waar zijn we mee bezig?”
De wandelbegeleider komt naar voren en neemt het over. Spoedig wordt het pad iets beter. Tot we tegen de helling op kunnen lopen, omhoog naar het pad dat we oorspronkelijk hadden moeten nemen. Het leidt omhoog en dat klopt ook volgens de kaart. Bij de volgende top raken we weer het pad kwijt en beginnen we te klimmen over grote rotsblokken. Vlak onder ons worden de omtrekken van een meer zichtbaar in de mist.
 
 
 
We moeten steeds op elkaar wachten zodat niemand achter zal blijven in de mist. We klimmen verder. Terwijl ik klim is het of ik mijn lichaam verlaat en van een afstandje toekijk hoe het verder klimt, zorgvuldig de afstand schattend van de ene steen naar de andere en voelend naar steun en zoekend naar balans. Mijn lichaam kan alles zelf; ik ben niet nodig. Tegelijk weet ik heel zeker dat ik dit klimmen alleen doe omdat ik het zelf wil, niet omdat de begeleider deze weg gekozen heeft. Ik lééf op deze mistige dag op een berghelling zonder pad in Wales.
Soms is er iets dat op een pad lijkt, maar tien meter verder houdt het ineens op. Er moet een pad naar rechts verschijnen, maar dat komt niet. De begeleider weet niet precies waar we zitten, hij besluit dat we op kompas moeten afdalen. Het terrein wordt iets gemakkelijker begaanbaar. De grote rotsblokken houden op, hier is begroeiing met ertussen beekjes. Het water begint door onze schoenen te sijpelen.
We stuiten op een schapenafrastering. Die is zo hecht gemaakt en zo hoog dat we er niet over kunnen. We moeten kiezen. De begeleider kiest voor links. Ergens beneden ons moet een leisteengroeve liggen, waarvan de wanden steil afgegraven zijn, daar zullen we niet kunnen afdalen. De begeleider probeert de ligging van de mijn te bepalen en besluit dat we toch beter naar rechts langs het hek kunnen lopen.
Niet lang erna stuiten we op een tweede afrastering die bergopwaarts gaat. Er zit niets anders op dan terug te lopen naar het gedeelte van de afrastering dat op de grond ligt en waar we over heen kunnen stappen. We blijken boven de mijn te zitten. De oude rails liggen er nog. Overal liggen wissels, ertussen groeien roze sterretjes steenbreek. De rails blijken dood te lopen bij een steile wand naar beneden. We besluiten af te dalen over het mijnafval dat in grote bergen verspreid ligt. Af en toe komt van beneden het geluid van een auto of een brommer. Daar moet een weg lopen; we kunnen er niet ver vanaf zijn.
Een wandelaarster heeft een pijnlijke knie opgelopen, op haar moeten we steeds wachten. Terwijl we bezig zijn trekken ineens de mistflarden uiteen en daar ligt het dal. Beneden ons nog een stuk helling wat niet helemaal te overzien is. We moeten gewoon maar verder worstelen. Na de blik op het dal sluiten de wolken zich weer en de mist wordt zelfs een lichte motregen.
Eindelijk verschijnt er een pad tussen de varens. We komen bij hekken en een huisje waar de wandelbegeleider naar binnen gaat om te vragen of ze telefoon hebben. De bewoners verwijzen hem naar een telefooncel 100 meter verder aan de weg naar Llanberis. De begeleider belt onze kok/chauffeur die met het eten wacht n de jeugdherberg.
Allemaal zijn we moe maar nog uit één stuk. De chauffeur stopt ons met z’n dertienen in het busje en rijdt naar de jeugdherberg, waar we bekomen van onze barre tocht met een kopje thee.