woensdag 12 augustus 2015

Wandeling Enkhuizen - Medemblik. (Groot-Frieslandpad.


Het regent als ik in de trein naar Enkhuizen zit; de hittegolf is definitief voorbij.  Koeler weer is geschikt wandelweer en de regen, volgens het weerbericht, zal opklaren. Ik verdiep me in de sudoka, gevonden in de Metro, terwijl de regendruppels strepen trekken op het raam. In Enkhuizen is het droog en ik ga eerst op zoek naar koffie.

Ik loop richting Drommedaris, de oude stadspoort; daar weet ik restaurant Dok4. Het is twaalf uur, maar door het regenachtige weer is het restaurant zo goed als leeg. De serveerster is bezig met voorraden bijvullen. Het duurt even eer ze mij ontdekt; ik krijg koffie met appeltaart.

Dan kan de wandeling beginnen. Het weer helemaal opgeklaard. Lopend door het stadje probeer ik de dijk te vinden. Ik loop langs een muur; naast mij zie ik de huisjes van het Zuiderzeemuseum en daarna het sprookjesland en een camping. Beneden me staan de borden die aanduiden dat hier Enkhuizen ophoudt, maar de huizenrij loopt gewoon door, dat verbaast me. Dan ligt Enkhuizen achter me; in de verte zie ik nog de kerktoren boven de bomen uitsteken.
Het eerste dijkdorp dat ik bereik is Oosterdijk; er is een theetuin, maar ik vind het te vroeg voor opnieuw koffie. Ik passeer de gebouwen van een drinkwaterbedrijf. Ik loop bovenop de dijk, met uitzicht naar twee kanten. Het waait stevig, het lijkt of de wind aantrekt. Ik daal de dijk af naar de Gereformeerde kerk in Andijk. Een bord onderaan de dijk vertelt dat de kerk open is.

 
 
Ik verwissel mijn zonnebril voor de gewone en ik trek de deur naar de kerkruimte open. De kleuren van de muren en de glas-in-lood ramen verrassen me. Ik neem meteen een foto, waardoor de beheerder mij vraagt of ik van hem een foto maak. Ik zeg verbaasd te zijn hier zo’n grote Gereformeerde kerk aan te treffen; in mijn beleving is de protestantse kerk in een dorp groter dan de gereformeerde. Gereformeerde kathedraal, noemt hij het. Hij zegt dat het tegenwoordig PKN is en dat er elke zondag vijf- tot zeshonderd mensen naar de kerk komen. Of heb ik dat verkeerd verstaan?
De rondleiding gaat verder. De kerk werd gebouwd als gereformeerde kerk in 1929, architect was Reitsma die ook betrokken was bij de Amsterdamse school. Inderdaad, de stijlelementen kwamen me al bekend voor. De kleuren op de muren vond men in het begin te fel; daarom werd er een waslaag overheen gelegd. Na de renovatie zijn echter de oorspronkelijke kleuren terug. Hij wijst hoe de kerk van binnen in twaalf segmenten is verdeeld, symbolisch voor de twaalf apostelen. Daar is tegenwoordig uitleg bij nodig, zegt hij.
In de toren bevindt zich de kosterswoning, kleine kamers/keuken boven elkaar, tegenwoordig in gebruik als ‘stencilkamer’. Ook de vergaderzaal wordt in oorspronkelijke staat teruggebracht, nadat in de zestiger jaren een plafond werd gelegd om de zaal beter (goedkoper) te kunnen verwarmen. De toren zwiept bij harde wind; de top wel een meter.
Hoog bovenop de dijk loop ik verder. De zon schijnt, maar het waait. De dijk gaat hier linksaf, precies zoals de West-Fries in de kerk al vertelde. Ik kan ook rechtdoor gaan en de dijk langs het IJsselmeer blijven volgen, maar het ziet er wat saai uit. Nog steeds ben ik in Andijk; het dorp strekt zich uit als een smal lint langs de dijk. Bij Buurtjeshaven zie ik een kerkje uit 1667, dat is omgetoverd in luxe-restaurant Meijer. Nog steeds heet het hier Andijk.
 
 
Het is tegen half vijf als ik de volgende plaats: Wervershoof bereik. Ik ben wel toe aan een tweede kop koffie. Zou de speeltuin horeca gelegenheid hebben. Ik daal de dijk af en steek het bruggetje over. Een heuse speeltuin, zoals die er waren toen ik klein was! Er moet intree worden betaald en de koffie is, neem ik aan voor toezicht houdende ouders.
Onder de dijk loopt een nogal drukke verkeersweg; nooit prettig lopen naast zo’n weg. Aan de kant van het IJsselmeer ligt een natuurgebied. Ik loop zelfs een stukje terug om te kijken of er niet door het natuurgebied kan worden gewandeld.  Maar het gebied bestaat uit losse beboste stukken land, gescheiden door water.
Ik blijf veroordeeld tot de dijk, al is de verkeersweg beneden rustiger. Ik passeer een gemaal, het Stoommachinemuseum, dat gesloten is omdat het inmiddels tegen zessen loopt. Ik nader nu Medemblik, mijn eindbestemming. Ik volg de aanduidingen van het Groot-Frieslandpad die mij langs Medemblik leiden, langs een strandje en een jachthaven. De golfslag in het IJsselmeer oogt veel rustiger nu het tegen de avond loopt. Hier verwacht je geen horeca, maar bij de jachthaven is het restaurant Med Trattoria gevestigd. Het personeel is bezig zich voor te bereiden op de avonddrukte. Ze willen mij wel van een kop koffie voorzien. Even rust ik uit op een comfortabele stoel, met uitzicht op het IJsselmeer en de jachten.
Als ik afscheid heb genomen van het vriendelijke personeel – ze praten Engels tegen me, waarom? – wil ik kasteel Radboud zien. De naam alleen al, intrigeert me. Ik ben hier tenslotte in Friesland en ooit was Radboud een Friese koning. Volgens het bordje was kasteel Radboud een dwangburcht, gebouwd in de 13e eeuw met de bedoeling de West Friezen te onderwerpen. Ooit zou de legendarische Friese koning Radboud een burcht op deze plek hebben gehad.  De 13e eeuw was de tijd van de Hollandse graven.
 
 
 
Ik moet mijn bus zien te vinden, ik loop richting Centrum langs grachten van het oude stadje. Ik loop maar, nog steeds niet moe: de koffie gaf nieuwe energie. Ik zie een groot gebouw dat wel haast het gemeentehuis moet zijn. Dan zie ik de aanduiding “Oude Haven’, moet hier het busstation niet ergens zijn? Dan zie ik bushaltes naast het oude spoorwegstation dat nog wordt gebruikt voor de stoomtram naar Hoorn. Het blijkt dat de laatste bus van lijn 239 over twintig minuten gaat.
Ik ben de enige passagier en dat zal ik ook blijven, de hele rit van Medemblik naar Hoorn.  Bij Abbekerk verlaten we de snelweg en rijden langs een verlaten bushalte. We rijden langs Wognum, wat is dat voor bekend gebouw? Het museum van Dirk Scheringa. Ooit zal Dirk Scheringa in Wognum een standbeeld krijgen, maar nu is de herinnering nog te vers..
Om tien voor acht vertrekt in Hoorn een trein naar Amsterdam-Centraal. Maar ik stap uit op Sloterdijk, deels om een Ethiopiër die in de stilte coupé een telefoongesprek zit te voeren. Hij ziet eruit als een nette jongen en misschien wel aardig ook. Alleen zo verdiept in zijn telefoongesprek dat andere reizigers er niet in slagen zijn aandacht te trekken en hem attent te maken van zijn overtreding.  Dat laatste stukje lopen vanaf Sloterdijk, langer dan vanaf CS, kan er nog wel bij.
 
 
 



woensdag 5 augustus 2015

Rondje Wieringen.


Om tien uur zit ik in de trein. Ik moet wel vroeg gaan want de afstand naar Den Oever vereist veel reistijd en de wandeling rond het voormalig eiland is een pittige. In Alkmaar mis ik bijna de Q-liner, die niet vertrekt vanaf het punt dat ik me herinner.  De bus moet wachten eer hij de weg op kan rijden, ik loop snel naar de zijkant van de bus. De chauffeur kijkt opzij en ik houd mijn Ov-kaart omhoog. En de deur gaat open. Ik bedank en zoek snel een plaatsje, riemen zijn in deze lange afstand bus verplicht. 

Na een uur arriveren we op het busstation in Den Oever. Zou Den Oever koffie gelegenheid hebben? Daarvoor moet je naar het centrum van een dorp c.q. stadje; het lastige van Den Oever is dat het geen kerk schijnt te hebben. Op goed geluk volg ik de Robbenoordstraat, linksaf Zwinstraat en ik kom uit bij een molen uit 1654. Hier vindt je café Flying Dutchman, dat gesloten is en een cafetaria dat om twaalf uur open gaat. Het is kwart vóór twaalf.

Ik besluit alvast de dijk op te gaan zoeken, loop onderweg binnen bij toeristeninfo. Daar word ik niet veel wijzer van: dijk volgen, zegt zij, koffie op de camping bij Stroe. Zij wenst mij een ‘prettige dag’. Terug naar snackbar Smultaria voor een kopje koffie. Iedereen groet mij in Den Oever.

Als ik de Hofstraat doorloop en linksaf sla naar de Nijverheidsstraat afloop kom ik bij de haven. Er is bijna niemand op straat; het waait hard. Op de dijk heb ik uitzicht op de haven met vissersboten, een pier en in de verte de Afsluitdijk. Ook staat er een monument voor de verdwenen vissers.  Ik loop een stuk de pier op om een ander uitzicht op de haven te krijgen. In de verte zie ik wel een kerk, nog steeds Den oever of een ander plaatsje?

 

De Michaël kerk van Oosterland op Wieringen.
 
 
 
 
Ik begin het zware dijklichaam af te lopen, optornend tegen de krachtige wind. De toren van de kerk komt steeds dichterbij en ik ontdek dat het de kerk van het plaatsje Oosterland is. Een robuuste toren, zoals je zou verwachten op land dat oud is en heel lang werd bewoond. De kerk heet Michaëls kerk en er worden concerten in aangekondigd. Het is één uur en ik ben aan lunch toe, een plekje uit de wind langs de heg van een woonhuis, daar zet ik me neer. Een man op een fiets komt aanrijden om te kijken wat ik daar doe. Blijkbaar is hij gerustgesteld want hij draait om.
 
 
Een half uurtje later vertrek ik uit Oosterland. Het is blijkbaar eb, het water staat laag en er liggen dikke pakketten zeewier, in groene en zwarte kleuren. Soms zijn er inhammen in de dijk; daar staan extra palen om de aanstormende golven op te vangen bij stormweer. Op regelmatige afstanden steken pieren in de zee, maar ze bestaan uit stompjes van houten palen. Overblijfselen uit de tijd toen de zeewering uit houten palen bestond, vóór de paalworm zijn intrede deed?
Een fietser komt mij tegemoet, zonder te trappen blaast de wind hem over het brede asfalt.
Ik verwissel het asfalt van de dijk langs de zee voor de top van de dijk, die begrast is en beweid wordt door schapen. Zo krijg ik uitzicht op Hollands welvaren: de boeren van Wieringen. Het loonbedrijf is er aan het werk, tot mijn verbazing worden pakjes geslagen. Ik dacht dat boeren alleen maar inkuilden tegenwoordig: die balen met donker plastic erom heen die je zo vaak op het land ziet liggen. Hier wordt ouderwets hooi in pakjes geslagen en de pakken hooi worden met een tractor met vorkhef op een wagen getild. In het volgende weiland is een tractor bezig het verspreid liggende hooi in rijen te vegen.
 
Ik bereik de camping/bungalowpark van Stroe en daar vind ik restaurant “Bij Ons Thuis’, waar ik binnen koffie bestel. Het is half vier als ik de Marskedijk langs Hippolytushoef afloop; een saai recht stuk dijk. Een bomenweggetje voert naar het dorp. Het is verleidelijk er niet even een kijkje te nemen, maar dan schiet mijn wandeling helemaal niet meer op. Onderaan de dijk – om enigszins te ontsnappen aan de harde wind - eet ik een paar boterhammen. In de verte doemt land op: het moet de punt zijn waarop Den Helder ligt. Er is geen branding, maar wad dat droog ligt. Is het nog steeds eb?
Ik nader het einde van het eiland Wieringen, dat deel uitmaakt van de Gemeente ‘Hollands kroon’, zoals overal bij de dorpjes aangegeven staat. Ik loop om de camping heen, de dijk wijkt hier naar binnen. Dan zie ik de voetgangersbrug over de N99 en aan de overkant een oorlogsmonument. Ik beklim het trappetje; het is er heerlijk rustig, onder de ruisende bomen merk je niets van de harde wind. Als ik de kaart raadpleeg blijkt dat ik nog iets verder moet lopen om het Amstelmeer te bereiken.
De wind ruist in de bomen; de zon schijnt en links van mij ligt een hellend maïsveld. Hier is duidelijk dat Wieringen een hoogte vormt, een keileemplateau daar neergelegd tijdens de laatste ijstijd. Het water klotst tegen de oever van het Amstelmeer. Hier is een bushalte, een bus naar Den oever rijdt hier en de bus komt over een minuut. Maar nee, ik wil nog meer zien van Wieringen.
Het is kwart voor vijf en ik droom van patat met pindasaus en rauwe uitjes, met een pilsje erbij. Daar doemt Bistro Lutje op aan Lutje’s strand, precies het soort gelegenheid waar ze dit soort maaltijden verkopen. Ik moet nu wel naar binnen, een plekje langs het raam met uitzicht op het stormachtig Amstelmeer, waar mijn wens geheel in behandeling wordt genomen.
De patat wordt gebracht in een plastic bakje en aan de manier waarop zij het voor mij neerzet weet ik dat het niet gaat smaken. Waarom houden mensen die niets met eten hebben zich ermee bezig? Dat begrijp ik nooit. De serveerster gaat zitten om haar eigen avondeten te gebruiken. Waarschijnlijk om de drukte voor te zijn. Haar dochtertje(?) vouwt servetten. Het interieur bestaat uit bric á brac’s die overal zijn gevonden, zoals een zwarte zanger achter een piano, een etalagepop, een plaatje waarop de solex wordt aangeprezen: ‘zuinig in onderhoud’.
Ik duik een paadje in, omzoomd door bomen, de wind ruist in de bladeren, de zon schijnt en nu ik niet langer langs zee loop heb ik warm. Ik neem een afslag naar het dorpje Westerland en fotografeer de kerk. Tegen de muur ontdek ik een afbeelding van St.Nicolaas. Het is vijf uur en ik heb nog zeker een derde van mijn wandeling af te leggen.
Langs glooiend land bereik ik De Hoelm, weer een dorpje. Hier pik ik de dijk weer op, ik volg de dijk tot ik bij een bordje kom met een aanduiding dat hier Noordhollandpad loopt. Ik klim over het hek; de dijk kronkelt door het landschap met rechts het Amstelmeerkanaal en links, aan de kant van het eiland: een sloot. Langs de voormalige zeekant is op sommige plekken nog de betonnen beschoeiing zichtbaar.

 
Ik loop tussen de schapen, tot ik kom bij de polder Waard-Nieuwland; hier splitst zich de dijk. Het stuk dat al het langst in onbruik is, begint hier en dat is te zien: De dijk is ongelijk en je moet oppassen bij het lopen. Bovendien is de dijk niet gemaaid of begraasd door schapen.
Ik volg het onregelmatige dijklichaam. Soms is de dijk ondergraven en meen ik wier te zien die volgens de info-borden tegen de dijk is gelegd. De dijk is een monument sinds 1986 en blijkbaar vindt onderhoud niet plaats.
 
 
 
De dijk wordt even onderbroken omdat de familie Rotgans hier een melkveehouderij runt en hun woonhuis is gebouwd op de geslechte dijk. Het is inmiddels half acht. Verder volg ik de dijk tot ik een bord zie met ‘welkom op de wandelroute’, maar de weg is versperd door prikkeldraad. Als ik even beter kijk blijkt de route, het Noordhollandpad aan de andere kant van het water de dijk verder te volgen. Ik volg het water, met aan de overkant een bungalow park. Nog een hoekje om en ik sta voor de A7. Het is acht uur, kan ik de bus van half negen halen?
Eerst moet ik uitzoeken hoe ik verder kan lopen. Er is een tunnel onder de autoweg door en ik kom langs de Zuiderhaven. Een weg met weinig verkeer, die langs de haven en jachthaven loopt. Langs het hek naast me grazen paarden, er staan bosjes en zie ik het goed? Daar loopt nog steeds de oude dijk. Ik volg de weg tot prikkeldraad de weg versperd voor de paarden, de dijk is dan dichtbegroeid en nog nauwelijks op te merken.
Mijn interesse gaat niet langer naar de dijk uit; ik wil de bus halen, maar waar is het busstation? De N99 komt hier uit en gaat met een viaduct onder de A7 door.  Ik zie daar de bussen, dus daar moet ik naartoe, onder het viaduct door. Het is vier minuten over half als ik het busstation bereik, dat er weer verlaten bijligt. Ik moet uur wachten, want alle bussen vertrekken op dezelfde tijd.
Ik besluit nog even Den Oever in te lopen om te kijken of het al vloed is geworden. Bovenop de dijk staat nog steeds wind, al is die wel afgenomen. Maar water en golven zie ik nog steeds niet; het wad ligt er zompig bij. Meer dan twintig minuten heb ik niet, ik moet weer terug naar de bushalte. Het kwartier dat ik nog moet wachten besteed ik aan het opnieuw vlechten van mijn haar dat door de wind los is geraakt.
Ik neem de bus naar Hoorn en op de parkeerplaats bij Abbekerk kan ik snel een foto nemen van de ondergaande zon. Een Ethiopische familie, mevrouw met vijf kinderen stapt hier uit. Ik blijf achter als enig passagier samen met een alsmaar telefonerende jonge dame achter mij. In Hoorn stappen wij in dezelfde trein maar ik zorg ervoor in een andere coupé te gaan zitten. Onderweg naar Amsterdam valt het duister in. Om elf uur bereik ik CS.
 
 
 
 
 
 
 
 

zondag 2 augustus 2015

Regenwandeling langs de Linge.


Een stevige wandeling, dat is het plan: 22 kilometer lang en langs de Linge. Dit is het gebied waar in het voorjaar de fruitbloesems bloeien. Dan zal er nu wel fruit zijn aan de bomen? Of fruit te koop langs de wegen.

De buienradar voorspelt een enkel buitje, zal wel meevallen. Wel is de temperatuur laag, rond 18° C, al met al prima weer voor een wandeling. Onze trein zal vertrekken om 9.53. Twintig minuten voor dat tijdstip ben ik al op het centraal station. Als mijn wandelmaat ook vroeger is, wat ik verwacht, kunnen we een trein eerder nemen. Ware het niet dat het mededelingenbord aangeeft dat die trein niet rijdt. Er knipperen blokjes: 5 minuten vertraging, 20 minuten vertraging, even later is het al 30. Er is iets stevig mis met de treinen.

Mijn wandelmaat arriveert, wij begroeten elkaar en lopen de trap op naar het perron. We proberen van de borden te begrijpen of onze trein gaat, op het bord met vertrektijden wordt hij aangegeven, maar even later niet meer. Op het perron waar wij zouden vertrekken komt een trein binnen die volgens de borden naar Den Helder zal gaan. De volgende trein zal de sprinter naar Alkmaar zijn volgens het bord.

Naast ons zit een medewerker van NS op zijn computer te zoeken. De mensen op het perron beginnen zich naar hem te wenden en wachten. De trein naar Nijmegen kan hier niet binnenkomen, volgens hem want dan moet deze trein eerst weg. De trein beweegt echter niet en niemand stapt in, tot de mededeling op de borden verschijnt dat het wel onze trein is. Passagiers stappen in maar niet degenen die rond de NS-medewerker staan. Deze belt inmiddels met een collega die het ook niet weet. Er verschijnt nu zelfs een mededeling over een trein van een uur geleden.

Het is aller grappigst, zoals de techniek hier op hol slaat. Op het perron naast ons rijdt een trein binnen: en de NS-medewerker zegt dat het de onze is. Inderdaad staat er ‘Nijmegen’ op de trein. Zo halen we onze trein en de medewandelaarster complimenteert de NS-medewerker, met zijn koelbloedig en standvastig optreden, wat haar een bedankje oplevert.
11.40 Tussen de appelbomen door is net zichtbaar: de Linge.
 

We hebben onze trein gehaald maar omdat er toch een ietsje vertraging is ontstaan, moeten we op station Utrecht hollen om de trein naar Geldermalsen, die vanaf een ver afgelegen perron vertrekt, te halen. Het lukt. De regendruppels trekken lange strepen langs de ramen van de trein. Geeft niet, het buitje zal wel overgedreven zijn als onze wandeling begint.

We maken alweer wat mee: de conducteur ontdekt iemand die niet heeft ingescheckt.  Anders dan voorheen geeft hij geen boete en wordt ook niet boos omdat buitenlanders weer zo stom zijn. Nee, hij neemt de OV-kaart mee om de historie te gaan bekijken. Hij komt terug met de mededeling dat eerder op de kaart werd gereisd en toen niet is uitgescheckt. Hij zegt ook voor de reiziger te hebben ingescheckt. Het is nieuw dat NS-medewerkers kunnen ingrijpen in de systemen. Bij Amsterdam is een vrachtauto tegen een spoorbrug gereden, zo weet hij te vertellen. Dat was dus de reden van de verstoring in Amsterdam.

Het fietspad langs de treinrails is omzoomd met bomen, daarom wachten we nog met het aantrekken van de regencapes. Maar als we meer open terrein bereiken moeten de capes tevoorschijn komen. Over een brug bereiken we de Linge. Zullen we koffie drinken, in de hoop dat de regen wegtrekt? Het wandelmaatje vindt het nog niet nodig, ze wil wel in de regen lopen. Zo begint onze tocht langs de Linge.

We lopen over de Lingedijk; er ligt een geasfalteerde weg op die is omzoomd met appel- en perenbomen. Hoeveel de commerciële teelt lage struiken zijn, worden de bomen in ere gehouden. Ze zijn oud, geknot en op de plaatsen waar de bomen zijn gestorven staan nieuwe loten. Precies als de regen even opklaart bereiken wij de Hoenderik.

De Hoenderik moet wel eigendom zijn van een ondernemend persoon. Het is een fruitkwekerij die tegelijk winkel en horeca heeft, kamers en fietsen verhuurt, je kunt er bedrijfsuitjes boeken. Als wij de grenen houten horeca-ruimte binnenstappen is er niemand behalve de vrouwen die er werken. De kersen kosten er € 5 voor een bakje. Het lijkt alsof men dat heeft afgesproken, want overal zijn de kersen te koop in hetzelfde bakje en tegen dezelfde prijs.
12.56 Je zou niet verwachten dat hier iemand woont, toch schijnt de bewoner een tuin te hebben.
 

Mijn wandelmaat houdt niet van kersen, wij laten het kersenbrood liggen, dat bij de koffie wordt aangeboden. In plaats daarvan nemen we appelgebak. Een aanrader! De koffie is niet geweldig bij de Hoenderik, maar het appelgebak wordt gebakken door iemand met kennis van zaken. Als we vertrekken komt een buslading bejaarden binnen, ze krijgen allemaal een snee kersenbrood aangereikt, nog voor ze zelfs een zitplaats hebben gevonden. We laten de drukte achter ons en vervolgen onze weg over de dijk langs de Linge.

Bij Mariënwaerdt slaan we linksaf, landinwaarts. We hopen het landhuis te zien te krijgen, maar voor ons strekken zich enkel weiden uit met boerderijen. Omdat we de route niet willen verlengen en ook omdat het weer miezert, keren we terug naar onze oorspronkelijke route. Tussen de bomen door zien we een paardenevenement: een springparcours, wagentjes bespannen met paarden. Door de regen lijkt er weinig animo van toeschouwers.

Onder het viaduct van de A2 door komen we in het plaatsje Beesd. We lopen langs de Voorstraat, langs de kerk van Beesd; de straat word geflankeerd door leibomen. Koffie? Voor mijn wandelmaat hoeft het nog niet, maar even uit de regen, mijn voeten zijn nat omdat de schoenen doorlekken. Ik neem koffie in een ijssalon; zij een ijsje. Ergens komt het geluid van een radio: om vier uur wordt het droog, vangen we op. Die regen was niet voorspeld, noch zichtbaar toen ik ’s ochtends de buienradar bekeek.

We steken de Linge over en dalen af naar het plaatsje Rumpt. We volgen de slinger van de rivier. Het valt op dat hier veel walnootbomen langs de weg groeien. En veel appel- peren- en pruimen, niet alleen lage struiken voor commercieel gebruik,  maar in tuinen en langs de weg.

Rhenoy laten wij liggen, we lopen er langs een snelweg. De medewandelaarster vraagt hier de kaart te zien. Wordt de weg weer mooi, wil ze weten. Het is even doorzetten, dat stukje snelweg, spoedig komen we bij het tunneltje onder de weg door, dat ons terugbrengt op de dijk langs de Linge.
15.42 Appels en peren aan dezelfde boom.

15.47 De scheefstaande toren van Acquoy, met kerk uit de achttiende eeuw.
 

De zon laat zich zien. De regencapes kunnen worden opgeborgen. We zoeken een verlaten en overgroeid stukje oever, waar we een boterham eten. Het trappetje is steil en bedekt met bladeren. Er staat een bankje maar door de verwaarlozing ziet het er minder privé uit, zodat we er plaats durven nemen.

Acquoy komt in zicht. Hier begint het raadsel van de torens die niet zijn afgebouwd. De toren van Acquoy heeft twee geledingen, ooit waren het er drie en al tijdens de bouw ging hij verzakken, lezen we op het bordje. In elk dorp zie je zo’n toren in Kempische bouwstijl, en niet afgemaakt. Pas in Asperen wordt duidelijk hoe de torens eruit hadden moeten zien.

De pruimen zijn rijp; er groeien pruimenbomen langs de weg en pruimen worden hier in een stalletje te koop aangeboden. Eerst nog passeren we Fort Asperen. Kunstenaars hebben het fort proberen te versieren. Zo ligt er een ‘joint strike fighter’ op ware grootte gemaakt van roze plastic. Asperen heeft verdedigingswerken en de route voert ons rondje het stadje en langs de wallen. Tot we bij nummer 5, in het zicht van de kerktoren nogmaals halt houden voor het eten van een snack.
16.34 Dorpsstraat van Asperen, met kerktoren die wel werd afgebouwd. Zo hadden de torens er dus uit moeten zien.
 

In Leerdam eindigt onze wandeling. Het is over zevenen: etenstijd. Ik wil soep eten alvorens de treinreis te aanvaarden. De medewandelaarster wil patat. We vragen aan de jongen in het bruine café aan de Markt (Kerkstraat 33) of hij soep heeft. Hij zegt dat hij een boerengroentesoep heeft. Lekker? Die vraag moet ik niet stellen, begrijp ik. Zelf maar ontdekken. De wandelmaat vraagt of zij bij me mag zitten zonder iets te bestellen. We zien hoe hij maaltijden serveert aan een andere tafel; er zit patat bij. Ik moedig de wandelaarster aan te vragen of hij voor haar geen patatje oorlog kan doen.

Dat wil zij niet, want dan komt het op een bordje en dan betaal je er zo € 4,50 voor, terwijl in de snackbar aan de overkant het 2 euro kost. De soep komt vergezeld van twee sneden bruin brood en een schaaltje pesto, wat ik nog het lekkerst vind. Halverwege mijn maaltijd zegt de wandelaarster dat zij naar de overkant voor haar eten. Als ik heb afgerekend, naar het toilet ben geweest ga ik ook naar de snackbar. Zij zit te wachten; de mensen van de snackbar hadden het erg druk omdat zij telefonisch bestellingen binnen kregen.

Het bakje friet komt en zij zegt dat de patat vreemd smaakt. Wij ontleden een patatje: het heeft een dikke gele korst met daarbinnen iets dat wit is en sponzig. De eigenaren van de snackbar zijn Chinezen en de wandelaarster merkt op dat Chinezen van alles door het eten doe. Toch eet zij haar patat op.

We moeten nog even verder lopen naar het station; waar de trein al spoedig aankomt, zo rijden we in tien minuten het stuk terug naar Geldermalsen waar we de hele dag over deden, al wandelend. In Geldermalsen behoeven we niet lang te wachten en in Utrecht ook al niet. NS heeft alle vertragingen van de dag alweer opgelost.

donderdag 23 april 2015

Wandeling die zijn doel niet haalde.


Een wandeling in de voetsporen van Vincent van Gogh; daar heb ik me voor opgegeven. De begeleidster heeft wandelingen ontwikkeld rond plekken waar Van Gogh werkte en woonde; zij heeft een boekje uitgegeven waarin de wandelingen zijn beschreven. Haar doel: wandelen aanmoedigen en bevorderen.

We verzamelen bij het treinstation. Een deelnemer – de enige man in het gezelschap – rijdt auto, drie vrouwen achterin, beetje krap met je hoofd dat het dak raakt.  De rit duurt anderhalf uur. De zon schijnt; het belooft een mooie aprildag te worden.

Als start is een bezoek aan het Vincentre gepland. Het wordt gerund door vrijwilligers; mannen en vrouwen van onze leeftijd, ontspannen aan hun bezigheden. We drinken er koffie en daarna is er een half uurtje om rond te kijken. Als je de verzamelde brieven van Vincent van Gogh hebt gelezen, zoals ik, helpt het herinneringscentrum om je geheugen op te frissen.

Om twaalf uur hebben we afgesproken gaan we beginnen aan de wandeling. Op het plein staat een standbeeld van Vincent van Gogh, zoals hij eruit moet hebben gezien op zijn wandelingen die hij maakte om inspiratie op te doen. We stoppen bij de eerste informatiepaal, drukken op de knop en Vincent zelf licht je in over de voorvallen op de bewuste plek.

De wandeling voert langs populierenlanen, die je terug vindt op de schilderijen, ontluikend in het vroege voorjaar. De natuur is hier net iets verder dan in het noorden. Paardenbloemen laten hun gele kopjes zien in het gras. Een appelboom vertoont zelfs enkele toefjes bloesem. We sjouwen verder, geleidt door de route-aanwijzingen uit het boekje van de begeleidster.

Klein protestants kerkje in een katholiek dorp. Hier preekte de vader van Vincent op zondagen. De protestanten kwamen uit het noorden, werkten voor de overheid en moesten het smokkelen tegengaan.
 
 
 
Ongeveer een uur en een lunchpauze op een picknick bankje verder, protesteert plotseling één deelneemster tegen de lengte van de route. Zij had begrepen dat de wandeling maximaal 10 kilometer zou zijn. De begeleidster geeft toe niet nauwkeurig te zijn geweest in haar informatie. Kunnen we niet iets in Nuenen gaan doen, stelt de deelneemster voor. Ze voegt eraan toe eigenlijk om zes uur thuis te willen zijn; zij moet nog werken. Nee, ze heeft geen afspraak, gewoon freelance.
Ik protesteer; ik zeg er niets voor te voelen in Nuenen te gaan rondhangen; ik wil de wandeling doen. Voor de wandeling kwam ik. De deelneemster kan nu kiezen: of zij loopt tegen haar zin en misschien zonder dat haar voeten het aan kunnen, met ons mee, of zij gaat alleen terug naar Nuenen en probeert zich daar te vermaken. Zij kiest voor het laatste. We wachten op een geschikte afslag en zij neemt afscheid.
 
Toen waren er nog vier wandelaars over. Het geeft een wat onvoldaan gevoel: je vertrekt met een groepje en hoopt gezamenlijk iets te beleven of te voltooien waar je met een tevreden gevoel op terug kunt kijken. En ja, aan wie ligt het dat het hier mis gaat? Aan de begeleidster die niet de juiste informatie gaf of de deelneemster die zich opgaf zonder te weten waar ze aan begon?
Wij lopen naar Molen Opwetten; zo’n oude molen naast een riviertje met een groot rad waar het water overheen loopt. Ook deze molen werd door Vincent getekend, we zien de tekening in het boek dat de begeleidster in haar rugzak meedraagt. In de Molen is een bruiloft gaande, maar wij kunnen op het terras terecht, ondanks de bewolking is de temperatuur is mild genoeg. We drinken koffie en delen petitfours.
Als we verder lopen stuiten we op bruiloftsgasten die aan ons de weg vragen. We lopen richting Nuenen en al snel bevinden we ons in de nieuwbouw wijken rond het dorp. Het is pas drie uur en ik merk op dat de wandeling toch niet zo lang is geworden. Drie uur met pauzes, we kunnen wij niet meer dan 10 kilometer hebben afgelegd. Dan schiet me iets te binnen: die Middeleeuwse toren, die Vincent een aantal keren heeft geschilderd, die hebben we niet gezien. “Die was nog drie kilometer verder, dan waren we nog meer tijd kwijt geweest.”
We bereiken het plein weer en gaan op zoek naar de wandelaarster die eerder terugkeerde. We ontdekken haar op een terras, vlak langs de drukke verkeersweg. Ze heeft net koffie besteld maar die is nog niet gebracht. Uit arren moede gaan we ook op het terras zitten hoewel we nog niet lang geleden koffie in de Molen dronken. Om enigszins aan de verkeersdrukte te ontkomen kiezen we plaatsen op een hoekje. Ik bestel thee.

Achterkant van de pastorie, waar de ouders van Vincent van Gogh woonden. In een van de gebouwtjes achter het huis had Vincent een tijd lang zijn atelier.
Het doel is nu vóór de spits terug te zijn in Amsterdam. Dat doel wordt in ieder geval gehaald. Dat laatste kopje thee, op dat tochtige terras krijgt nog een staartje: de volgende dag loop ik krom van de spit.
 
 
 
 

woensdag 15 april 2015

Wandeling langs het Brekkenpaad.


De eerste warme dag na een koele start van het voorjaar. De zon schijnt, wit licht door een lichte nevel. De weiden beginnen groen te kleuren, met toefjes geel van bloeiend speenkruid. Speenkruid, je ziet het steeds meer en het is de vijand van de boeren want de pollen overwoekeren het land en verdringen het gras. Wij, vriendin en ik, zoeken ons een weg door de weiden en langs de rietkraag van een poel. De eerste rietkraag, want dit land wemelt van de meren en poelen.

We passeren een boerenerf. De stilte van de ochtend wordt verstoord door een giertank met trekker, die gier staat te laden. De berijder is niet aanwezig, zeker even een kop koffie gaan pakken. Even later rijdt hij ons voorbij met volle tank om over het land uit te rijden. We moeten een vaart oversteken, omdat de enige brug in het gehucht ligt lopen we er naartoe. We passeren het dorpsschooltje, kortgeleden verkocht voor bewoning, nu de kinderen in de naburige stad naar school gaan. Het voormalig Gereformeerde kerkje, is al jaren in gebruik als woning en wordt bewoond door een voormalig klasgenoot.

We nemen afslag Kooidyk. In de verte ligt het langgerekte grote meer. Eigenlijk is dit gebied een landtong ingeklemd tussen meren en vaarten. Het gebied wordt de Hel genoemd. Het is er druk: een veewagen passeert, een vrachtauto met veevoer, personenauto’s, telkens stappen we van de weg af om iemand te laten passeren. Ook wordt er gewerkt aan de bermen van de weg. Onze winterjassen hebben we uitgetrokken, te warm.

Na een uur lopen bereiken we de overzet over de vaart die van het gebied een schiereiland maakt. We vrezen de pontbaas een beetje, een nieuwsgierige, gepensioneerde oude heer, die behalve een euro ook nog vermaakt wil worden voor het verlenen van de dienst, zo lijkt het wel. Maar de pontbaas heeft het druk en zijn aandacht is gevestigd op mensen aan de overkant, die hem aanroepen.

We bereiken het watersportplaatsje en strijken neer op het terras van de Herberch. Als we allebei naar het toilet zijn geweest en voorzien van koffie vertel ik aan mijn vriendin hoe ik de vraag heb gesteld waarom ik hier ben.
   “Waarom je nu aan het water, op het terras van de Herberch zit?”
   “Nee, ik bedoel: op deze wereld.” Die vraag stelde ik de avond ervoor; en het antwoord fibreerde vanaf de boerderijen en van de weiden in de verte, in de vallende avond: “Nou, dat moet nu eenmaal.” Het antwoord roept bij mij de vraag op wat er dan leuk aan is. Ik denk; ik weet dat ik in de andere wereld gelukkiger zal zijn.

   “Welke andere wereld?”
   “Die waar we vóór onze geboorte deel van uitmaken en waar we na onze dood weer naar teruggaan.”
   “Maar hoe weet je dat je daar gelukkiger zou zijn?”
   “Ik weet het wel zeker.”
De grutto’s roepen, de langgerekte roep van de tureluur, de schrille schreeuw van de wulp. Maar de meeste vogels om ons heen zijn zeemeeuwen. We lopen de weg naar Oudega, deze weg ken ik niet, niet eerder liepen we deze route. We klimmen over een hek met bordje “verboden toegang”. Het is een gemaaltje, op het rooster gaan we zitten om onze boterhammen op te eten.

   “Hoe weet je dat je in de andere wereld gelukkiger zou zijn?”
   “Omdat ik hier ben, zal ik het hier leuk moeten proberen te vinden.” Dat valt me moeilijk. Ik heb gebitsproblemen: een afgebroken tand, een ontsteking die eigenlijk niet zo erg is maar tegelijk weigert weg te gaan. Zodra dingen tegenzitten in mijn leven, komt de vraag naar boven: waarvoor ik het allemaal doe.

We bereiken Oudega, een sympathiek plaatsje aan de Brekken. Hier begint het Brekkenpaad, een smal fietspad dat de dijk langs het meer volgt. We lassen nog een pauze in, gezeten op de keien die als oever beschoeiing dienst doen, met uitzicht over de watervlakte en in de heiige verte de silhouetten van boerderijen aan de overkant. Ik vertel over een meisje dat klant bij mij wil worden. En hoe zij er niet in slaagt haar boekhouding over te dragen, hoewel ze het zelf ook niet kan. Sommige mensen zijn zo: ze vinden dat ze het zelf moeten kunnen maar er komt niets van terecht en uit handen geven lukt ze ook niet.

   “Waarom heb jij die mensen? Laatst had je ook zo iemand…” Inderdaad, voor iemand boekte ik driekwart van het jaar in, maar de persoon luisterde niet naar adviezen die ik gaf, meende alles beter te weten. Tot ik ermee kapte, nu is hij nog op zoek naar iemand om zijn financiën te verslaan. Wij delen een appel en gooien de schillen in het water. De golfjes kabbelen tegen de brokken steen. De wind steekt op; het wordt koeler en wij vervolgen onze wandeling langs het meer.

Tussen het riet ontdekken we een aanlegsteiger, met minstens tien ligplaatsen voor boten. Het bordje op de steiger vermeld dat men maximaal drie nachten mag liggen. Ook het aantal fietsers op het smalle pad zal ongetwijfeld toenemen en ’s zomers zal het best druk kunnen worden. Wat blijft zijn de groene weiden, de rietkraag en het kabbelende water van het meer.

We passeren opnieuw een dorpje, kruisen de spoorlijn en dan zien we: IJsboerderij Margje 24, ijs gemaakt van melk van eigen koeien. Daar hebben we net trek in. We eten onze bolletjes chocolade ijs op een stenen muurtje met de poes kroelend tussen ons in.

woensdag 8 april 2015

Paaswandeling naar heilige plaatsen.


Op de vroege ochtend van de tweede Paasdag ben ik onderweg naar het station. Een dik pak grijze wolken bedekt de lucht. Het koele weer van de afgelopen weken houdt nog aan: een warme trui trok ik aan. Opnieuw is het doel: Heiloo, maar of er die kleurenpracht van de bollen te bewonderen zal zijn waar ik me vorig jaar zo over verwonderde? 

Bij het koffiehuis voor het treinstation verzamelt zich de wandelgroep: een grote groep heeft zich aangemeld voor de paaswandeling. Als we bij de ingang van het station zien dat onze trein vijf minuten vertraging heeft, besluiten twee mensen te pinnen. Banken staat sinds enige tijd het machtigingen van clubs en verenigingen niet meer toe, dus moet je contanten bij je hebben. Helaas heeft de trein zijn vertraging net ingehaald, bijna twee deelnemers kwijt. Op Sloterdijk stappen nog twee deelnemers in.

Op station Heiloo wachten deelnemers vergezeld van een hond. De grote groep, met hond begeeft zich door de straten van Heiloo, op zoek naar rustige fiets- of voetpaden. We volgen de Heilooër zeeweg. Om niet langs de weg te hoeven lopen volgen we het paardenspoor, veronderstellend dat er op de ochtend geen paarden zullen zijn. Tot we op een meisje te paard stuiten, een niet al te ervaren amazone met een schril paardje, dat meteen schrikkerig wegspringt bij het zien van een wandelaar met die grote wandelschoenen op zijn pad. De berijdster wordt vergezeld door een vrouw op de fiets, misschien haar moeder. De begeleidster is niet over ons te spreken. Wat doen wij op het paardenspoor, wij zijn toch geen paarden?
We volgen de zeeweg; we lopen nu langs de rijweg. In de verte een geel veld: bloeiende narcissen. We komen door het gehucht Rinnegom en langs een statig huis genaamd ‘Koningshof’. Je wordt welkom geheten al is niet duidelijk waarvoor. Dan klimmen we over een hekje, door een weiland en zo bereiken we de duinen. De groep, met de begeleider voorop begint een duin te beklimmen en wij, - nog steeds bezig over het hekje te klimmen – worden gewaarschuwd door een fietser: “Je mag niet van de paden afwijken en de boswachter controleert erop.”  Daar komt de boswachter al aanrijden en jawel hij stopt al. De boswachter blijft heel vriendelijk: het is broedseizoen, we zouden zomaar iets kunnen verstoren. Naar toegangskaartjes vraagt hij niet. Omdat we het weiland overstaken misten we de kaartjes automaat.


We vinden een boom met een beetje luwte om een lunchpauze te houden. Plotseling staan mensen op, hijsen hun rugzakjes om en meteen volgen anderen en staat de groep al weer klaar om verder te lopen. Zo gaat dat met groepen. We volgen de Oldenborghweg, de horeca-stop is niet ver weg meer.
We bereiken de Aelbertsput en bekijken de houten beelden. Er wordt water geput voor de hond, het water uit de put is een beetje geel en de hond blieft het niet. Naast de put bevinden zich twee horeca-gelegenheden. Moet geen rekening worden gehouden met het feit dat we zo’n grote groep zijn? We lopen nog één kilometer naar Egmond-binnen, beslist de leider. ’t Wapen van Egmond-binnen’ blijkt een bruine kroeg, die we bijna voor ons alleen hebben: koffie en appelgebak.
De Abdij is open, niet alleen het voorportaal dat altijd open is, maar ook de kerk. Zwaar hangt de wierookgeur van de dienst van ’s ochtends. We bewonderen de gebrandschilderde raampjes. Een Pinetum is een tuin met fruitbomen, hier staan op alfabetische volgorde appel- en perenstruiken, allerlei rassen en onderhouden door vrijwilligers nu er géén of niet genoeg monniken meer in het klooster wonen. De monniken liggen op het kerkhof, lijkt het wel, als we langs de graven lopen, allemaal dezelfde afmetingen maar ieder met een eigen tekst.
De dag is nog niet ten einde: hier volgt het keuzemoment. Eertijds, toen we nog zondags 20 kilometer liepen was er zo’n splitsing waar mensen die minder ver wilden lopen een afslag konden nemen. Net als vroeger volgen discussies: wie wil er lang en wie gaat kort. Ga jij lang, dan ik ook. De meeste mannen gaan lang en enkele vrouwen; ook de hond gaat lang omdat het vermoeden bestaat dat de korte route – het monnikenpad is gesloten voor honden.
De Limmerweg is een verkeersweg, maar op de bewolkte Paasdag is er weinig verkeer. De lucht dreigt, maar behalve een paar druppels valt er geen regen. Wel komen we langs velden bloeiende narcis. Speenkruid bloeit en vroege madelieven. De Limmerweg gaat over in Zanddijk, een oude zeedijk ooit door monniken gegraven. Zo is het gebied doortrokken van geschiedenis en heel vroege geschiedenis.



Maar de wandeling heeft nog een verrassing in petto: de Genadekapel. De Zanddijk leidt naar een tunneltje onder het spoor door, we komen op de binnenplaats van de kapel waar alweer een put is: de Runxput. Het water heette eertijds geneeskrachtig te zijn en er is een wonder verbonden met de plek, over een Mariabeeld dat op geheimzinnige wijze terugkeerde. Het werd een bedevaartsoord. Er is ook een kapel, de wanden geschilderd in blauwe tinten. De kapel is niet verlaten: bezoekers ontsteken kaarsen en beleven de rust.





Buiten breekt de zon door. Langs een pad door het groen staan de staties opgesteld, aan het einde van het pad een openluchtkerkje met een altaar van rotsblokken waarop een gekruisigde Jezus staat. Er is een zusterklooster, een groot gebouw waar meditatieve cursussen en retraites worden gehouden. Nu begrijpen wij waarom Heiloo, Heiloo heet!

Zo’n volle dag! Volgens de route-beschrijving zouden we langs de rand van Heiloo lopen en vervolgens het dorp in naar het station. De leider besluit dat we langs het spoor blijven lopen. Maar eer we in de trein stappen pakken we nog een terras, nu het dankzij de zon een beetje opwarmt, en bestellen soep.

 
 


zaterdag 4 april 2015

Wandeling door de bollenvelden.


Verlangen naar de lente, die maar niet wil komen. Sommige bomen staan weliswaar bloei en aan narcissen en krokussen geen gebrek, maar waar blijft het zachte voorjaarsweer? Dan maar even teruggrijpen op een wandeling van vorig jaar.

Een wandeling bij Heiloo waar je dwars door de bollenvelden loopt. De wandeling plande ik voor mezelf, maar om niet helemaal alleen te hoeven lopen plaatste ik hem op een wandelsite. Dat leverde drie medewandelaarsters op. Alleen, op de ochtend van de wandeling regende het en een van de deelneemsters belde op om zich af te melden.

Op NS-station Heiloo ontmoet ik de overige twee; geen van hen ken ik. Ze stellen zich voor als Aukje en Jannie. De lucht is even opgeklaard en we volgen de Heilooër Zeeweg naar het beginpunt van de wandeling. We bereiken de parkzone die Heiloo omgeeft en hier nemen we een struinpad door het groen dat de Zeeweg volgt tot we komen bij het bord waar het dorp Heiloo ophoudt.



Hier slaan we rechtsaf en volgen de Egmonder binnenvaart, al spoedig bevinden we ons tussen velden uitbundig bloeiende tulpen. De paraplu’s leggen we neer en we pakken fototoestellen. Je kan hier tussen de bloemen lopen; ze plukken. Doen we natuurlijk niet, we beperken ons tot foto’s. Hier en daar tref je een veld van kleur één bloem van een andere kleur: niet gepland maar zomaar zo gebeurd.

We volgen de Binnenvaart, langs Gemaal Sammerspolder tot we linksaf een bruggetje over moeten steken en de Hoevervaart volgen. Aan de overzijde van de sloot volgen we nog steeds velden bollen; het geel van de tulpen op het punt van uitbloeien, zo verblindend dat het pijn  doet aan je ogen.

We komen naderen Egmond a/d Hoef en hier moet een veldje worden overgestoken waar paarden grazen. Aukje en ik vinden dat geen probleem; we wachten even af hoe de paarden op ons reageren en lopen ze voorbij. Maar Jannie weigert de paarden te passeren; zonder verder ceremonieel van afscheid nemen begint ze terug te lopen. Wij kijken elkaar aan: wandelaars die elkaar vinden via internet voelen weinig band of verantwoordelijkheid voor elkaar. Zo kan het gebeuren dat de een net een andere kant op wil. Of is de regen, die miezerig gestaag valt haar reden?

Aukje en ik vervolgens onze weg en gaan aan bij het cafétje ’t Slot voor koffie. De eigenaar echter, is op bezoek bij de buren, het duurt even eer hij erachter komt dat hij klanten heeft. Vlakbij is de ruïne van het kasteel van de graven van Egmond. De beroemdste graaf was Lamoraal, die door Philips II werd onthoofd gedurende de tachtigjarige oorlog; van hem staat er een standbeeld.

Na Egmond a/d Hoef bereiken we een weg die langs de duinen voert. Wel moeten we hier toegangskaartjes aanschaffen bij De Bleek en dat kan alleen met een pinpas. Even verderop kunnen we naar boven voor meer uitzicht. Tussen de bomen door verkrijgen we weer zicht op velden bloeiende blauwe druiven; zo eindeloos uitgestrekt is het veld, je zou denken dat de aarde hier een paarse kleur heeft.



Er is nog meer geschiedenis te beleven op deze wandeling: de Adelbertusput. Zo’n beroemde legende van een kloosterzuster die droomde dat het gebeente van zendeling Adelbertus moest worden opgegraven. Op de plek waar zijn graf was ontsprong een bron. De bron bestaat nog altijd; er is een openlucht kerk waar met Pasen katholieke diensten plaats vinden. Ik smaak de voldoening over de verbazing die Aukje uit over dit stuk vroege geschiedenis dat hier vastligt in het land; net zoals het mij verbaasde tijdens mijn eerste wandeling hier.

We bereiken nu Egmond-binnen, waar we aangaan voor een tweede bak koffie. Even binnen zitten in de warmte, vooral in de droogte, want de regen blijft gestaag vallen. Eigenlijk hebben we er onder onze capes niet zoveel last van, alleen de voeten worden nat want de schoenen laten op de duur het water door.



In Egmond-binnen bevindt zich ook de Abdij en de deur is open. De Abdij is vrij nieuw, gebouwd in de negentiende eeuw. Er staat ook een tombe van Floris II, maar die is ook nieuw. Wel vertellen de info-borden over de monniken die van hieruit het Christendom brachten en ook een beschaving. Hier werd de vroege geschiedenis opgetekend. Hoe de monniken werkten aan het bouwen van dijken en de grote kerk van Egmond aan Zee, die in de golven verdween….

We hebben de koffie op en we begeven ons weer op weg voor de wandeling richting Heiloo, waar we de trein willen pakken. Helaas gaat het niet zo vlot: we volgen eerst de weg die langs het klooster loopt, maar hier komen we aan de verkeerde kant van de Egmonder binnenvaart. We lopen over iemand’s erf, komen een hond tegen die ons eigenlijk wil terugjagen. Ik vraag aan Aukje of ze nog wel v
verder wil, tenslotte ben ik degene die de wandeling heeft gepland: ik moet de weg weten. Ze zegt niet zoveel keus te hebben. We concluderen dat we niet verder komen aan deze kant van het water en we lopen terug naar de Abdij, om te ontdekken dat het beginpunt van onze route er vlakbij ligt.




De bollenvelden hier lijken op proefveldjes met kleine stukjes geel, rood, roze… Weer zijn we onder de indruk en we fotograferen nog meer. We fotograferen elkaar met kleurige velden op de achtergrond. Er is nu een sloot die ons scheidt van de kleurpracht. Dan bereiken we ons uitgangspunt: de weg naar centrum Heiloo; het is rond vijven. In de trein wisselen we telefoonnummers uit voor mogelijke toekomstige activiteiten. Bij Sloterdijk stap ik uit voor nog een wandelingetje door het park naar mijn huis.

Deze wandeling staat zeker op mijn programma voor de komende lente, hopelijk op een dag met een zacht zonnetje en misschien een doordeweekse dag, want bij de Abdij is een kaarsenmakerij, die alleen op werkdagen open is. Wie wandelt mee?