maandag 21 september 2015

Zeedijk Petten – Camperduin.


Als ik opsta, om half acht is de lucht grijs. Maar ook zie ik ochtendrood en streepjes blauw tussen het grijs. ‘Ochtends rood, ’s avonds water in de sloot? Ik zet de laptop aan, het weer per plaats: geen zon, regenkans nihil, windkracht 4. Buiten zie ik een zonnetje tussen de wolken, klopt dus niet.

In de trein luister ik mee met het gesprek dat N. van de Berg voert; hij is zijn bankpas kwijt en belt met iemand thuis of de pas soms op het bureau ligt. Vervolgens concludeert hij dat de pas echt kwijt is en belt de bank om de pas te laten blokkeren en een nieuwe aan te vragen. Daarna gaat hij nog eens zoeken: in zijn portemonnee waar plaats is voor een hele rits passen, hij heeft zelfs een etuitje speciaal voor pasjes, maar blijkbaar wordt de bankpas niet gevonden. Aan de bankmedewerker heeft hij ook gevraagd wanneer de pas voor’t laatst is gebruikt en nu zoekt hij op zijn Iphone het nummer van de supermarkt. Het is zondag, maar supermarkten zijn zondags open en hij krijgt iemand aan de lijn. En raak: ze hebben zijn pas daar; hij kan hem weer ophalen. Nogmaals belt hij de bank, meldt aan de computer waarvoor hij belt en legt aan de medewerker uit dat de nieuwe betaalpas kan worden geannuleerd. Tegen de tijd dat alles geregeld is zijn we in Alkmaar, waar ik uitstap.

Bus 151 brengt me naar Groet. De dorpjes Schoorl en Groet hebben bijna iets buitenlands zoals ze daar liggen tegen de hoge – hoogste van Nederland – beboste duinen. Ik stap uit bij ‘Lekker Puh’ en bestel daar een kop koffie. Terwijl ik de koffie drink blader ik door de Alkmaarse courant en daar stuit ik op een interessant artikel. Het gaat over de Zijperdijk, de dijk van Schagen naar Callantsoog die ik bewandelde bij mijn vorige wandeling.

In 1552 lanceerde Jan van Scorel (Schoorl) het plan tot bedijking van de Zijpe. De Zijpe was een diepe inham in Noord Holland tussen omringdijk en de duinen. Als de getijdengeul door hoog water of winterstormen volliep beukte het water tegen de West Friese omringdijk. Rond Schagen had men veel last van dijkdoorbraken. Jan van Scorel kreeg toestemming van keizer Karel V voor zijn plan. Toen moest hij financiers vinden. Hij vond Nicolaas Nicolai en zijn zwager Moys Petersz bereid als geldschieters. Op 24 mei 1552 ging de eerste spade in de grond bij Keins; op 1 oktober was het werk al klaar en de polder werd verkaveld tot 20 kleinere polders die de letters van het alfabet kregen. Op mijn kaart zijn de polders nog met die letters aangeduid.

Nu moest de bemaling worden geregeld, maar er volgde een slaande ruzie met de geldschieters en Van Scorel trok zich terug. Nicolai werd gearresteerd door de landvoogdes wegens verduistering van belastinggelden. Er volgden jaar van juridische processen van de keizer om de kosten van de dijk te verhalen op de geldschieters. In 1556 legt Godert van Bocholt zoutpannen en ziederijen aan en daarna kwamen de polders in rustiger vaarwater.

Jan van Scorel was de bastaardzoon van de dorpspastoor van Schoorl. Men stuurde hem naar de Latijnse school in Alkmaar, daarna kreeg hij een opleiding tot kunstschilder. Hij reisde door Europa, zoals kunstschilders destijds vaak deden om inspiratie op te doen. Hij bracht 2 jaar in Italië door waar hij de kunstverzameling van het Vaticaan voor paus Adrianus beheerde. Na zijn terugkomst werd hij kanunnik voor het bisdom Utrecht. Zo zie je maar: geboren uit een foute relatie was geen belemmering om iets te worden.

Het is inmiddels 12.00 en ik wandel naar het einde van het dorp bij uitspanning de Bokkesprong, waar de oude Hondsbossche dijk begint. Beneden me ligt de Hargervaart waar plezierbootjes aangemeerd liggen.
Op de dijk vind ik kringen van paddenstoelen.
 

Om half twee heb ik Petten bereikt. Ik lunch, gezeten op een waterinlaat punt langs de verkeersweg. Een waterig zonnetje vertoont zich. Petten heeft geen oud dorpskerkje, de toren, die boven de huizen uitsteekt is modern, maar geeft wel aan waar het centrum van  Petten zich bevindt. Ik stap Italiaans restaurant Belle Napoli binnen. Alles is er Italiaans, de muziek, de gesprekken. Ik bestel appeltaart, nadat de serveerster mij heeft verzekerd dat die zelfgebakken is. Bij het afrekenen vraag ik er nog eens naar: ja, de dochter van de eigenaar heeft hem gebakken.  Ze legt uit dat ze normaal een heleboel dingen hebben: tiramisu enzo in de vriezer. We praten langs elkaar heen: ik wil haar eigenlijk vertellen dat de slagroom te zoet is en chocola niet past bij appeltaart, maar laat het maar zo.

Ik zoek de dijk weer op, die hier overgaat in een duingebied. Via het Korfwater bereik ik het nieuwe panoramaduin. Dit nieuwe duin is onderdeel van het project dat vorig jaar werd gerealiseerd: een duingebied te creëren vóór de Hondsbossche zeedijk. Het duingebied ligt er en daarmee is de zeedijk een soort slaperdijk geworden.
Uitzicht vanaf het panoramaduin.
 

Het nieuwe duingebied bestaat uit drie zandrijen, van elkaar gescheiden door takkenwallen die het zand vast moeten houden. Op de hoogste zandrij is helm aangeplant; dit is kwetsbaar gebied dat niet mag worden betreden. Naar zee loopt het strand schuin af. Het strand langs de waterlijn voelt vast onder mijn voeten, naast mij rolt de branding aan. De zon schijnt vanachter sluierbewolking.
Boven de dijk in oktober 2014, toen het duingebied in aanbouw was, maar dit deel van de dijk nog zijn oorspronkelijke vorm heeft. Onder: het nieuwe duingebied.

 

Ik probeer de dijk te bereiken, maar dat is alleen mogelijk aan het begin en het eind, zo blijf ik door de nieuwe duinenrij lopen: een wat saai gebied. Vlakbij Petten loopt een fietspad langs de dijk, hier loopt een weg naar boven. Eindelijk bereik ik de dijk, de geul tussen de dijk, die afliep naar de zee ligt er nog; tegen het tegenover liggende duin zijn boompjes geplant. Het werk van de mens is gedaan, nu moet de natuur het verder afmaken. Voltaire zei ooit: ‘God schiep de wereld, de Nederlanders schiepen Nederland.’ Die wijsheid doe ik op bij het overhoren van een gesprek van twee dames, later in de trein.

Het is rond vijven en beneden me rijdt de bus voorbij. Ik weet dat ik tot de volgende bus nog een uur heb. De dijk sluit hier, bij Camperduin en Hargen aan bij het duingebied. Ik maak nog een rondje door de duinen, eet nog een overgebleven boterham en wacht op de bus. Bij bushalte Munnikeweg wacht ik en ik krijg het koud. De verkoudheid van een week geleden heeft mijn lichaam nog niet helemaal verlaten. Ik stap in, verlangend naar mijn huis en een hete douche.
Werkzaamheden in oktober 2014.
 

maandag 7 september 2015

Slikker- en Zijperzeedijk, Schagen naar Callantsoog.


Terwijl ik in bed mijn ontbijt nuttig, begint de dag buiten met een regenbuitje. De voorspelling luidt: regen in de ochtend, ’s middags droger. Eigenlijk had ik deze wandeling vorige week al willen doen, maar toen regende het ook.

Ik ga op weg naar het station. Mijn  plan: de trein van 9.42 te nemen,  ik zal rond twintig over tien in Schagen zijn en koffie kunnen gaan drinken. Het blijkt dat mijn trein niet rijdt, wegens een eerdere aanrijding; ik moet een half uur wachten. Voor dat doel heb ik een patroontje voor een breiwerk meegenomen om uit te werken. Ik begin er alvast aan, gezeten op een bankje op het perron. Geheel verdiept in mijn werkje zie ik een trein aankomen die naar Alkmaar vertrekt. Laat ik die maar alvast nemen.

Onderweg twijfel ik plots. Wat, als deze trein een sprinter is die overal stopt, en wordt ingehaald door de intercity die ik dan in Alkmaar zal missen. Waarom was ik zo dom? Ik open mijn rugzak om het mapje met reisbeschrijvingen te pakken en dan ontdek ik dat het mapje er niet is. Heb ik op de zitplaats op het perron op’t Centraal laten liggen. Mijn kaart van Noord Holland en andere route aanwijzingen zitten in dat mapje. Zonder het mapje geen wandeling: ik moet terug.
 
In Zaandam stap ik uit, haast me over de traverse naar een ander perron waar een trein naar Amsterdam klaar staat. Zal het mapje nog op de zitplaats liggen? Dat is de vraag die mij bezig houdt, geduld om te gaan zitten heb ik niet. Hoe kon ik zo stom zijn? Focus op het mapje, visualiseer het op het bankje, concentreer je erop zodat niemand het wegneemt.
De trein rijdt CS binnen om 10.26, eindelijk. In ’t voorbijgaan zie ik op het eerste bankje iets wits liggen; ik zat op het eerste bankje. De trein rijdt nog eindeloos door maar stopt en ik loop terug; daar ligt mijn mapje, precies zoals ik het liet liggen.
De eerste trein naar Schagen rijdt om 10.46 maar heeft 20 minuten vertraging. Ik stap in een trein naar Alkmaar die gereed staat. Als ik in de trein zit zie ik een donkerblauwe wolkenband die steeds donkerder en dreigender wordt. In Alkmaar blijkt de volgende trein naar Schagen rond twaalf uur te vertrekken. Bovendien moet ik naar de wc; het kost wat moeite een muntstuk van 50 cent te verkrijgen voor het toilet; het meisje van de Hema klaagt dat haar kassa niet opengaat. Daarmee bedoelt ze waarschijnlijk dat ik iets moet kopen. Gelukkig heeft het loket van het spoor nog een kassa. Komt er ooit een eind aan deze reis?

 

Ondertussen barst de bui los, er komt zelfs een klap donder uit. Ik twijfel tussen koffie drinken of de Q-liner naar Heerhugowaard te nemen, waar de schoenwinkel voor mijn favoriete schoenen zit. De bus vertrekt om 11.39 en stopt voor de deur van de schoenwinkel. Als ik in de bus zit blijkt deze   Heerhugowaard voorbij te rijden. Als ik de chauffeur vraag zegt hij dat ze eerder een omlegging door Heerhugowaard volgden, maar normaal langs de snelweg rijden.
 
 

 
 
Ik stap uit, in de hoop zelf de weg naar de schoenenwinkel te zullen vinden. Het regent, zodat ik mijn plu tevoorschijn haal. Ik probeer de plassen te mijden; de schoenen die ik draag zijn niet meer helemaal waterdicht. Het duurt niet lang of ik zie het bordje met de straatnaamaanduiding en vind de winkel.
 
 
Ik vraag de verkoopster de schoenen uit de doos in een plastic tasje te doen zodat ik ze in mijn rugzak zal kwijt kunnen. Ze begrijpt me verkeerd en doet de schoenen met doos en al in een plastic tas. Ik zeg niets, vraag alleen waar het station is. Het blijkt aan de overkant te liggen: dat is geluk hebben. Nog meer geluk heb ik als de trein na een korte wachttijd binnenrijdt, de vertraging is tot vijf minuten teruggelopen. De regen is gestopt en door het treinraampje zie ik hoge wolkenpaletten.
Om tien voor één stap ik uit op station Schagen. Eindelijk kan ik koffie gaan drinken in de Koeienhemel. Onderweg kom ik op de markt, ik volg de markttentjes die naar de markt rond de kerk leiden. Ik verbaas me over dames in West Fries kostuum die ik tegenkom, een jongentje in een boerenkieltje en op klossende klompjes. In de Koeienhemel, waar ik koffie met appelgebak bestel, zitten twee dames in kostuum aan de lunch, gezellig te keuvelen. Alsof het allemaal heel normaal is.
Ik geniet van mijn koffie, waar ik zo lang op heb moeten wachten, en ontdek op het plein rond de kerk meer mensen in kostuum, ook mannen. Ze staan wat rond, zonder haast. Drie oudere dames zitten naast elkaar op een bankje en laten zich geduldig fotograferen. De toren van de kerk is voor de gelegenheid open. Beklimmen kost  € 1,50. Mijn tas met schoenen en rugzak mag ik achterlaten. De rugzak wil ik echter bij me houden, De man trekt een gezicht van: ‘nou, zelf weten.’ Even later begrijp ik zijn suggestie beter, als ik de steile trappen beklim. De trappen zijn bevestigd langs de muren van de toren en hangen als het ware in het niets. De Duitsers die ook de toren beklimmen laten mij voorbij gaan.
Boven op de toren probeer ik de weg naar de dijk te ontdekken. Welke straat moet ik zo meteen nemen? Ik ontdek een toren die lijkt op een kasteeltoren, maar beneden op de grond vergeet ik er naar te zoeken. Ik heb dan weer achterste voren de trappen af moeten dalen, ingespannen en mijn hoogtevrees onderdrukkend. Op de eerste trans brengt een duivenmoeder twee jongen groot, die ze net aan het voeren is.
Het is inmiddels kwart voor twee en ik moet nu echt aan de wandeling beginnen. Ik kruis het spoor en dan zie ik een aanduiding fietsroute 36, die ik me herinner van mijn vorige wandeling. Ik loop achter een jonge vrouw in West Fries kostuum, in gesprek met een man, ook in kostuum. Ze nemen afscheid en ik hoor haar zeggen: ‘Het was erg leuk, tot volgend jaar maar weer.’
Ik volg het riviertje de Snevert tot het tunneltje onder de N241,  eindelijk ben ik de stad uit; het loopt tegen tweeën. Hier fotografeerde ik de rietpluimen die toen bogen in de wind. Nu is er geen wind; wel hangt er een donkere wolkenband, die precies lijkt op die welke ik in de trein zag. Ik weet wat me te wachten staat, de vraag is alleen: hoelang nog?
Ik bereik de brug die leidt naar de N248, een stukje moet ik langs de snelweg lopen om vervolgens linksaf de weg af te lopen naar het punt waar de Slikkerdijk zich afsplitst van de omringdijk. Halverwege dit weggetje begint de regen te vallen. Ik schuil onder een boom naast een huis en onder de paraplu. Een goede gelegenheid om aan mijn lunch te beginnen, want het is al half drie.
Daar zit ik op mijn hurken wat enigszins ongemakkelijk is, ik wil niet mijn regencape uit de rugzak halen, omdat die nat zal worden. Ik eet mijn boterhammen en kijk hoe plassen op de weg ontstaan. Elke keer als een auto voorbij rijdt draai ik de plu omlaag om mezelf tegen het opspattend water te beschermen. De mevrouw van het huis aan de overkant komt naar me toe: wacht ik op iemand? Lijkt me nogal duidelijk: ik wacht tot de regen stopt. Maar met de plu en die oranje tas met schoenen zie er misschien uit als iemand die heeft gewinkeld i.p.v. iemand die wandelt. Ik mag wel binnenkomen van haar. Ik sla het aanbod af; de regenbui lijkt over zijn hoogtepunt heen.
Het is drie uur als ik de Slikkerdijk bereik. Een kaarsrecht stuk dijk waar schapen op grazen. Opnieuw hangt er en dreigende lucht, er hangen van die rafels aan, anderzijds zie ik ook blauwe lucht. Was niet de voorspelling; na de middag droger? Langs de dijk loopt een weg, die ik volg omdat de dijk nogal ongelijk is en bovendien doordrenkt van de regen.  Na een poosje klim ik bij een hek naar boven, voor wat meer uitzicht.
 
Om vier uur bereik ik Oudesluis. Ooit zal dit plaatsje aan het wad hebben gelegen, voor in 1845 de Anna Paulownapolder ontstond. Ik besteed er niet veel aandacht aan; ik stap het dorpscafé binnen en vraag om koffie en het toilet. Ze zal de pot even aanzetten, zegt ze. Het café is leeg; zij en haar man zijn allebei met een laptop in de weer. Ze slaagt er niet in in te checken, zegt ze. Ik drink mijn koffie: gewone filterkoffie, maar niet slecht van smaak. Ik vraag nog of Callantsoog ver is. Mensen vinden altijd dat iets ver is als ze horen dat je gaat wandelen. Maar zij zegt dat het met de auto maar acht kilometer is, lopend langs de dijk zal wel langer zijn.
De dijk voorbij Oudesluis heet Zijperdijk.  De Zijperdijk is de noordgrens van de Zijpepolder die in 1597 droog kwam te liggen. 50 jaar eerder was men eraan begonnen, met 3000 mannen en 1000 paarden. Tussendoor werd het werk driemaal teniet gedaan door dijkdoorbraken. De Slikkerdijk kreeg zijn naam door taaie lappen slik van de Wadbodem waarmee de dijk werd versterkt.
Ik bereik een drukke weg die naar´t Zand gaat. Hier ligt de Eendenkooi Mosselwiel, ik bekijk het informatiebord, maar neem niet de moeite de eendenkooi op te zoeken daar ik van mijn route zou afwijken. Ik volg de Zijperdijk tot ik bij een hek kom. De verkeersweg gaat hier rechtsaf zodat ik op de grazige dijk verder moet lopen. Ik loop nog steeds met die dwaze, oranje tas.
Aan het einde van de grazige weg wacht mij een verrassing. Ik stuit hier op het Noord Hollands-kanaal, die door de dijk is gegraven. Er is geen brug zodat ik de dijk aan de overkant niet kan oppakken. Ik moet nu toch naar het plaatsje ´t Zand lopen, wat ik niet van plan was om een brug te vinden.
Ik hoef niet helemaal tot de dorpskern te lopen zoals ik vreesde, halverwege ligt een nogal geïmproviseerde brug over het water; er kan maar een auto tegelijk overrijden en verkeer moet wachten op tegenliggers. Ik wacht op mijn beurt, tenslotte voeg ik me maar bij het verkeer en steek langs de kant van de brug over.
Aan de andere kant probeer ik het kanaal te volgen teneinde de dijk terug te vinden. Eerst loop ik langs een straat maar die eindigt op een parkeerterrein. Daarna is er een bosje tussen de snelweg (N9) die langs het kanaal loopt. Ik loop een stuk door een greppel in het bosje tot een omgevallen boom mij de weg verspert. Verderop houdt het bosje op en verandert in een rietoever. Er zit niet anders op: ik moet over de vangrail klimmen om aan de andere kant van de snelweg verder te lopen. Verderop gaat de weg omhoog, daar begint de dijk. Ik zie daar weer het industrieterrein, waar ik eerder op stuitte.
Ik moet nog een stuk lopen door de grazige berm. Als ik de droge sloot naast de weg oversteek, blijkt er een ruw pad te lopen. Zo bereik ik weer de dijk. Hier loopt geen pad op de dijk, de top is zelfs beschermd met een schrikdraad. Ik klim over een omheining en volg de begroeiing langs de tuin van een huis. Is het wel de bedoeling dat ik hier loop? Even verderop bereik ik de top van de dijk, waar schapen verschrikt voor mij opstaan.
Honden beginnen te blaffen; daar ben ik niet van onder in indruk; tussen ons bevindt zich een brede sloot. Ik los het op door meer beneden de dijk te gaan lopen waardoor de honden mij niet  kunnen zien. Dit levert een mooie foto op: met een windmolen, de schapen op de dijk en een prachtige lucht erachter. 
 
 
Ik volg een bordje dat verwijst naar de ‘Nollen’. Daar ergens moet de dijk eindigen. Een man op een fiets vraagt me of ik de weg wel weet, ik verzeker hem dat dit het geval is. Ik passeer een boerderij waar bloemencultuur wordt uitgeoefend, bedden met bloeiende bloemen. Het duurt niet lang meer eer ik de duinen bereik; tot hier heeft men de dijk gelegd. Hoewel ik uit de beschrijvingen op de bordjes onderweg begreep dat hier de zanddijk begint, in tegenstelling tot de dijk van kleislikken die ik volgde tot nu. Hier en daar groeit heide die in bloei staat.
De vraag is: hoe nu verder? Naast de duinen ligt een camping,  met een afrastering gescheiden van de duinen, daarachter moet een weg liggen. Ik besluit over de afrastering te klimmen om de weg te bereiken. Over de duinen loopt een smal paadje en mogelijk had ik dat kunnen volgen om bij het Zwanenwater uit te komen en daar de bus naar Schagen te nemen. Maar dat hoor ik pas later. Volgens mijn zelf opgezochte info moet ik naar Callantsoog naar de bushalte.
Ik passeer twee mensen die voor hun tent zitten en vriendelijk groeten. De boom is omhoog en ik kan de weg oplopen. Ik bevind me in de Uitlandsche polder. Ik moet een stukje teruglopen, daarna buigt een weg naar links langs een bos. Hier moet ik de paraplu tevoorschijn halen, een vriendelijk buitje begint te vallen. Omdat tegelijk de zon schijnt krijg ik een regenboog te zien die ik driftig begin te fotograferen.
Het is inmiddels negen uur en ik begin aan patat te denken. Niet dat ik normaal patat zou eten, het is etenstijd en mijn maag vraagt om iets te doen. Ik ben bij een camping en hier staat een cafetaria. Ik denk niet al te lang na maar stap naar binnen.  Als ik afreken vraag ik het meisje hoe ik de bus kan vinden. Een stukje verder rechtsaf en dan door een bos, legt ze uit. Best een behoorlijk stuk om te lopen. Nou, dat kan er nog bij. Het bosgebied blijkt een rommelig gebiedje met open stukken grasland, huizen, misschien vakantiewoningen. De zon zakt lager en schijnt vanachter stapelwolkjes.
 
Ik bereik de Jewelweg vanwaar de bus zou moeten vertrekken. Hoek om en jawel: een bushalte. Hier heb ik geluk, de bus zal over enkele minuten moet komen. Ongeduldig wacht ik. Auto’s rijden voorbij, mensen laten hun hond uit, in de verte zie ik een AH. De bus komt precies op tijd en brengt mij terug naar Schagen. Het loopt tegen negenen en terwijl ik wacht op de trein valt het duister in. De populieren aan de overkant van het perron ruisen niet, zoals bij mijn vorige wandeling toen ik hier wachtte. Nu bewegen ze enkel zachtjes in de wind.
 
 
 
 

 

maandag 24 augustus 2015

West-Friese omringdijk, Nieuwe Niedorp – Schagen.


Vandaag ben ik vroeg op, om half tien stap ik in de Q-liner naar Nieuwe Niedorp. De trein is rustig en de bus heeft naar vijf passagiers en daarvan stappen twee uit bij het Transferium in Nieuwe Niedorp, waarvan ik er een ben. Het Groot-Frieslandpad loopt hier naar het zuiden, dat kan ik niet langer volgen. Ik wandel eerst het dorp in, eigenlijk ben ik op zoek naar koffie. De zon schijnt en het is zondagmorgen; niets lijkt al open. Ja toch, de Jumbo is open, mensen doen er hun boodschappen. Ik moet nu denken aan de wandeling met onze club van vorige week. Toen vonden we een Albert Heijn die open  was en daar gingen we koffie drinken, gratis koffie. Ik loop de Jumbo binnen, en ja: een tafel met stoelen, koffieautomaat ernaast. De automaat ziet er hetzelfde uit als die van vorige week, maar deze koffie vind ik niet om te drinken, ik gooi het bekertje weg.

Verder maar weer, ik buig naar rechts af en bereik het dorp Winkel. Ik passeer het Raadhuis, dat nu is veranderd in een parfumflessenmuseum. Even verder staat het Lucaskerkje, omgeven door een sloot; maar wat staat er bovenop de toren? Het lijkt op een paard met een vissenstaart! De kerk komt net uit, mensen nemen afscheid: “Doeg, doeg…”

Als ik weer een bocht rond ligt de dijk vóór me, de Omringdijk. Bovenop de dijk ligt een niet al te drukke verkeersweg, rechts ligt de Groetpolder met velden spitskool en gestaag draaiende windmolens, links het oude land met neer een agrarische functie. Maar wat zijn die schoven, opgetast als korenschoven staan ze in lange rijen op het land?

Schoven op het land; links is een peul met grauwe erwten zichtbaar, op de achtergrond de Lucaskerk van Winkel.
 

Ik volg een steenslagweg langs de dijk. Het lopen op de verkeersweg tracht ik te vermijden. Het gevolg is dat ik opritten afloop en weer oploop. Ieder boerderijtje, ieder huis langs de dijk lijkt over twee opritten te beschikken, een naar elke richting van de dijk. Motoren hebben deze dijk ook ontdekt, knetterend stuiven ze voorbij.

Ik bereik een zijweg, die naar het dorp Lutjewinkel leidt en deze weg biedt mij de kans de opgetaste schoven nader te bekijken. Het blijken grauwe erwten; ik hoef maar een peul open te maken en herken de erwten. Terwijl ik foto’s maak komt de boer in zijn auto aanrijden. Zeker om te kijken of de zaak genoeg gedroogd is. Hij steekt zijn hand op naar mij.

Een water dat eindigt bij de dijk; ik kijk uit over riet en wilgen. Op het bankje spreek ik mijn lunch aan. Het valt op hoe het nieuwe land rijk voorzien is van windmolens, terwijl ik in het oude land er precies een kan ontdekken. Terwijl daar de wind toch ook waait. En de wind blaast krachtig vandaag, gelukkig maar want de temperatuur zal oplopen naar 26° C.

Het gemaal Waakzaamheid passeer ik. Even twijfel ik over de loop van de dijk, de dijk wordt onderbroken door een brug, een kanaal is door de dijk gegraven.  Kolhorn is nog 2 kilometer verder, volgens een bordje.
Kolhorn, boeten (turfschuren) op de oude zeedijk.
 

Naar Kolhorn ben ik nieuwsgierig. Ik las dat de naam al in 1239 werd genoemd en ooit een vissersplaatsje langs de Zuiderzee. Het eerste wat ik tegen kom in Kolhorn is een bord dat verwijst naar koffie met zelfgebakken appeltaart. Ik volg een steegje, boogbruggetje over de Snevert(?) en ik
sta op het terras van Schippers welvaren. Het terras aan het water is bijna vol op de middelste grote tafel na, met schaduw. Opeens bevindt ik te midden van mensen die keuvelen over ditjes en datjes, na de stilte en het ruisen van de wind langs de dijk. De appeltaart is een groot stuk en smaakt heerlijk, over de koffie ben ik minder te spreken; goede koffie zit er vandaag blijkbaar niet in. Na de koffie loop ik een rondje door Kolhorn; de boeten op de dijk hebben toeristische bestemmingen gekregen; het kanaal langs de dijk vertoont levendigheid op deze warme, zij het winderige zomerdag. De makelaars Van Keulen en Klaver moeten wel een goede boterham verdienen, getuige de vele keren dat ik hun namen tegenkom.


Het is rond tweeën als ik de brug naar de Waardpolder oversteek. Ik volg een fietspad in de schaduw van hoge bomen, al spoedig komt het fietspad samen met de drukke verkeersweg. Links is een brug met sluis: Molenkolksluis. Hoe loopt nu toch die dijk verder? Trekkers met wagens, hoog beladen met uien en aardappels rijden voorbij.

Dan zie ik voor me de dijk, nogal verwaarloosd en in een kronkel en compleet met schapen. De drukke verkeersweg naar Schagen gaat naar links, terwijl ik de rustige weg over de dijk volg. Aan beide zijden van de dijk staan huizen, verspreid in het landschap; een jongen en een meisje zitten te barbecueën naast de voordeur, mensen zitten buiten, een luw schaduwrijk plekje in de tuin: het landleven. Trekkers rijden voorbij beladen met balen stro, gewerkt wordt er op zondag. Iemand heeft een rommelmarkt ingericht op de oprit naar zijn huis; geld mag in een kistje. Ik koop pruimen langs de weg.

De dijk splitst zich, naar rechts loopt de Slikkerdijk. Hier verlaat ik de dijk om in Schagen de trein te kunnen nemen. Het is kwart over drie en de wandeling is al bijna af; was een makkie vandaag. Ik volg een weg langs hoog opgaand mais tot ik de drukke verkeersweg moet oversteken. Ik volg de fietsroute van knoop 35 naar punt 45., dat uitkomt in de buurt van het station. Als ik het station in het oog heb vind ik het nog te vroeg om naar huis te gaan, eer ik tenminste iets van Schagen heb gezien. Ik dwing mijn voeten verder richting kerk. Was in Schagen niet ooit een veemarkt? Ja, op het plein rond de kerk nog wel. Al 550 jaar heeft Schagen marktrechten. Op donderdag is er markt, maar of dat nog een veemarkt is? Misschien de volgende wandeling op een donderdag doen, met koffie en gebak in de Koeienhemel tegenover de kerk?

Ik eet een laatste boterham, gezeten op een bankje op het plein. Om tien vóór vijf zal een trein naar Amsterdam gaan. Ik  haast me naar het station. De wind ruist in de populieren langs het station, als ik wacht op mijn trein.

vrijdag 14 augustus 2015

Wandeling Medemblik - Nieuwe Niedorp (Groot-Frieslandpad).


Negen uur ’s ochtends zit ik in de trein op weg naar Medemblik om mijn wandeling langs het Groot-Frieslandpad op te pakken. Mensen in mijn omgeving, zo lijkt het, hebben eigen besognes: mijn werkgever streeft naar de vervulling van zijn droom, degene met wie ik samenwerk heeft een nieuw vriendje, de verkering van mijn vriendin is uit, maar zij maakt even geen afspraken. Deze wandelingen, dat moet mijn doel, mijn passie worden.

Ik stap in bus 239 die mij via Abbekerk terug brengt naar Medemblik. Wéér ben ik de enige passagier in een lege bus. De zon schijnt en de voorspelling is: een hete dag. Waarom dan toch een wandeling? De voorspelling luidt ook dat het hitte in de kustgebieden mee zal vallen. En de plu zit in mijn rugzakje, die is ook bruikbaar als bescherming tegen het branden van de zon.

Mijn eerste doel is: het Kasteel Radboud te bekijken. Omdat ik te vroeg ben, loop ik de Nieuwstraat in op zoek naar koffie. Bij lunchroom de Boulevard bestel ik koffie met appelgebak. De dag is nog vroeg in Medemblik: de tafeltjes langs de stoep zijn nog niet aangekleed: het serveerstertje loopt langs de tafels met een blad plantjes waarvan ze er een zet op elke tafel. Ik ben een vroege klant.

Ik loop langs de dijk. Begroeid met bloemen ligt hij er sterk en geruststellend bij. Maar als ik het eind van de dijk bereik, blijkt tussen mijn doel: kasteel Radboud en mij de havenmonding te liggen! Ik moet teruglopen, naar de Nieuwstraat en daar de brug oversteken en dan langs de Pekelharingstraat  terug tot ik de landpunt bereik waar de burcht is gebouwd. De entree tot het kasteel bedraagt € 6 en er is een tentoonstelling: lingerie van de middeleeuwen tot heden.

De geschiedenis interesseert mij: de vader van Floris V, Willen II was Roomskoning en dus een belangrijk man in Europa. Het haalde het in zijn hoofd de opstandige West-Friezen een lesje te willen leren en werd daarbij door Friese boeren gedood. Floris V was nog een kind en moest eerst volwassen worden. Geen wonder dat hij zo fanatiek de Friezen eronder wilde krijgen. Hij bouwde vijf dwangburchten, waarvan het kasteel bij Medemblik het meest versterkte. Omdat de monniken als enigen wisten hoe stenen moesten worden gebakken, dwong Floris de Friese monniken kloostermoppen voor zijn kasteel te bakken. In 1296 wordt Floris zelf vermoord en komen de West-Friezen opnieuw in opstand.

Jacoba van Beieren zou gevangen zijn gehouden in het kasteel en ontsnapt door mannenkleren te dragen en de Friese verzetsstrijder Grote Pier belegerde het kasteel in 1517 en verbrandde Medemblik, waarom? Ik loop even langs het ondergoed en betreedt de gevangeniscel waar een stroper wordt vastgehouden, die zijn verhaal vertelt.

Het is inmiddels twaalf uur. Terug in de Nieuwstraat is het heel wat drukker, zowat alle tafeltjes waar ik eerder koffie dronk, zijn bezet. Via de weduwehuisjes bij de Bonifatiuskerk bereik ik de dijk. Bij het stationnetje staat de stoomtram, glimmend gepoetst op stoom te komen. Hij vertrekt, maar achterwaarts. Op de achterste wagen staat een man met een rode vlag, zijn taak is bij kruisingen voorbijgangers te waarschuwen voor de naderende trein. Er is zelfs een buffetwagen.
Het stoomtreintje staat klaar op de oude stationnetje om zijn tocht naar Enkhuizen aan te vangen. Links het Stadsmuseum en tussendoor de toren van de Bonifatiuskerk.
 
Ik bereik de molen De Herder. Bij het hekje zie ik de rood-wit markering van een lange afstand wandelroute, het Groot-Frieslandpad in dit geval. Omdat die markering er staat verwacht ik een doorgaand pad, maar ik zie alleen omheining rond de molen. Dan maar over de afscheiding heen stappen, die ziet eruit alsof het wel vaker gebeurt, een beetje afgeplat. Zo sta ik op de dijk tussen de schapen.
 
 
Bij de Overlekersluis wordt de dijk onderbroken, ik steek de sluis over en zie dat de rood-wit markering naar links wijst. Ik moet het spoorlijntje oversteken en ja, daar gaat een pad naar rechts, een wat verlaten paadje. Ik volg het pad tot bij Oppedoes en daar moet ik, volgens de routemarkeringen weer het spoorlijntje oversteken. Maar wacht eens: wat komt daar?  De stoomtrein komt eraan. Eerst stopt het treintje om de man met de rode vlag  uit te laten stappen. Haast heeft het niet. Een hele rij rijtuigen rijdt aan mij voorbij: het lijkt wel of ze uit alle delen van Nederland zijn verzameld, getuige de opschriften.
Ik ben nu in Oppedoes en volg de rood-wit markeringen. Op een bankje in de schaduw stop ik om mijn lunch te eten. De huizen zijn langs een water gebouwd, kleine boerderijen allemaal met rieten dak en kleurrijke tuintjes erom heen, die aflopen naar het water. De weg is omzoomd met bomen, idyllisch dorpsgezicht.

 
Kaartjes van het Groot-Frieslandpad printte ik van internet. De kaartjes zijn globaal en geven geen details, die moet ik halen van de kaart van Noord Holland, schaal 150.000. Dan zijn er de r0od-wit markeringen en in de verte: de dijk als baken om mijn weg te vinden.
Ik verlaat het oude deel van Oppedoes en kom in nieuwere wijken. Ik koop een flesje vruchtensap bij de spar super, het is warm en extra drinken os welkom. Nu moet ik ergens tussen de nieuwbouw een doorgang vinden die over de spoorlijn gaat. Ik volg paadjes maar telkens lopen ze dood tussen de huizen. Tot opeens een doorgang zich voordoet en ik het spoor kan oversteken, maar dit leidt over een vlonder de weilanden in. Is dit wel de bedoeling? Ik loop langs een water, wat op de kaart staat met aan mijn andere kant kool en uien van teeldbedrijf Rustenburg. Op het erf staat een wagen afgeladen met wortelen.
Ik sla het pad naar Twisk waterberging in. Maar dit loopt naar een broedwal voor oeverzwaluwen, verder staat een bordje ‘verboden toegang’, terug maar weer. Verder naar rechts ligt, geruststellend, het dijklichaam. Langs de oprijweg van Rustenburg bereik ik de dijk, steek de verkeersweg N239 over en beklim de dijk. Aan de andere kant ligt de Wieringermeerpolder.
Aan deze kant loopt een rustige verkeersweg: Koggenrandweg. Een rij bomen langs de weg zorgt er bovendien voor dat ik niet in de zon hoef te lopen, er steekt bovendien een windje op. Ik zet de pas erin; het is al half drie.
Ik loop langs velden kool en aardappels en wat zijn dat voor planten; het lijkt wel of ze overwoekerd worden door onkruid. De grote gele bloemen zijn van courgetten. De dijk wordt doorsneden door het viaduct van de A7, hier ligt een industrieterrein dat niet op mijn kaart vermeld staat: Agriport. De markeringen voor het Groot-Frieslandpad zijn weer aanwezig.
Weer is er een weg over de dijk; plots sta ik voor café Het Wagenwiel. Een terrasje; mensen zitten aan tafeltjes te keuvelen. Kopje koffie? Vooruit snel dan maar, het is al half vier en ik ben pas halverwege. Ik vang fragmenten van een gesprek op. Twee paren op leeftijd bespreken iemand die zo is verouderd in korte tijd en daar niet mee om kan gaan. Ik betaal maar snel voor mijn koffie.

 
Volgens mijn kaart moet vanaf Lambertschaag een fietspad door de weiden lopen. En ja, ik hoef maar een paar meter het dorp in te lopen of ik bereik het Pannepad. De zon schijnt nog steeds, maar het wordt later op de dag minder warm.  Het uitzicht is weids, er lopen koeien in de wei, heel ander soort land dan achter de dijk, in de Wieringermeerpolder waar groenten, graan wordt verbouwd. Bij de uitzichttoren stop ik om een boterham te eten.
Het weggetje door de weiden is deels ooit dijk geweest, moet wel waarom zou er anders zo’n, door sloten omzoomd tracé door de weilanden liggen? Bij Aartswoud zie ik twee grote wielen opgemetseld tot een soort monument. Er groeien bomen omheen en er staat een picknickbank, leuk plekje om uit te rusten. Onder de zool van een van mijn voeten is een blaar aan het ontstaan. Ik zou sokken aan moeten trekken, maar die heb ik vanmorgen vergeten in mijn rugzak te doen. Maar wacht eens, vorige week zondag stak ik wel sokken in de rugzak voor een clubwandeling. Die heb ik er niet uitgehaald, die moeten nog ergens onderin zitten. Ik pak de rugzak uit en er komen twee paren sokjes tevoorschijn. Daarna heb ik geen last meer van de blaar.
Voorbij Aartswoud volg ik de Weelkade en met een bocht naar links in zuidelijke richting de Groene Pade langs een maisveld. Ik volg weer de markeringen van het Groot-Frieslandpad. Ik sla weer linksaf en loop door waterberging Pompsloot. Het bord geeft instructies hoe te lopen als er water in de berging zou staan. De berging staat droog.
Als ik een brug oversteek wordt in de verte het Transferium zichtbaar. Hoog gebouw met een spits torentje. Het moet een soort klooster zijn en ik ken het al heel lang, omdat de bussen van Friesland naar Alkmaar daar stoppen. Vaak vroeg ik me af wie daar wel zouden wonen, monniken ofzo?
 
Dit schaap liep bij een boerderij, helemaal vetgemest en met een ademhaling die elke keer een knorrend geluid gaf, zodat ik eerst dacht met een varken te maken te hebben.
 
Met het klooster als baken loop ik verder naar Nieuwe Niedorp. Ik bereik een verkeersweg, verderop is de snelweg, achter het viaduct is de bushalte. Ik heb nog tijd eer de bus komt en ik besluit het klooster aan een inspectie te onderwerpen. Maar geen bordje verraad de aanwezigheid van een orde. Voor de ramen hangen witte gordijnen en het gebouwtje ernaast is van de scouts. Als ik achterom loop kom ik bij de Mariakapel; de deur is open en er branden kaarsjes. De ramen boven het altaar vertonen heldere kleuren van glas-in-lood. Er is niemand.
Weer buiten loop ik langs een muur; daarachter moet zich toch een kloostertuin bevinden? Wie zou er anders zo’n lange muur bouwen, net hoog genoeg dat je er niet overheen kunt kijken. Het hek van de kleuterschool staat open, en via het hek kan ik van de achterkant in het ommuurde deel kijken. Het is een grasveld met een hok of stalletje in de midden, maar geen dieren vertonen zich, alsof die zich samen met de kloosterlingen hebben verschanst.
Ik loop nog even verder door: een bord langs de weg vermeldt dat daar kersen te koop zijn. Maar het in inmiddels half zeven en de kersenverkoop is gesloten. Ik keer terug naar het Transferium en wacht bij de bushalte op de Qliner.
 
 
 
 
 
 

woensdag 12 augustus 2015

Wandeling Enkhuizen - Medemblik. (Groot-Frieslandpad.


Het regent als ik in de trein naar Enkhuizen zit; de hittegolf is definitief voorbij.  Koeler weer is geschikt wandelweer en de regen, volgens het weerbericht, zal opklaren. Ik verdiep me in de sudoka, gevonden in de Metro, terwijl de regendruppels strepen trekken op het raam. In Enkhuizen is het droog en ik ga eerst op zoek naar koffie.

Ik loop richting Drommedaris, de oude stadspoort; daar weet ik restaurant Dok4. Het is twaalf uur, maar door het regenachtige weer is het restaurant zo goed als leeg. De serveerster is bezig met voorraden bijvullen. Het duurt even eer ze mij ontdekt; ik krijg koffie met appeltaart.

Dan kan de wandeling beginnen. Het weer helemaal opgeklaard. Lopend door het stadje probeer ik de dijk te vinden. Ik loop langs een muur; naast mij zie ik de huisjes van het Zuiderzeemuseum en daarna het sprookjesland en een camping. Beneden me staan de borden die aanduiden dat hier Enkhuizen ophoudt, maar de huizenrij loopt gewoon door, dat verbaast me. Dan ligt Enkhuizen achter me; in de verte zie ik nog de kerktoren boven de bomen uitsteken.
Het eerste dijkdorp dat ik bereik is Oosterdijk; er is een theetuin, maar ik vind het te vroeg voor opnieuw koffie. Ik passeer de gebouwen van een drinkwaterbedrijf. Ik loop bovenop de dijk, met uitzicht naar twee kanten. Het waait stevig, het lijkt of de wind aantrekt. Ik daal de dijk af naar de Gereformeerde kerk in Andijk. Een bord onderaan de dijk vertelt dat de kerk open is.

 
 
Ik verwissel mijn zonnebril voor de gewone en ik trek de deur naar de kerkruimte open. De kleuren van de muren en de glas-in-lood ramen verrassen me. Ik neem meteen een foto, waardoor de beheerder mij vraagt of ik van hem een foto maak. Ik zeg verbaasd te zijn hier zo’n grote Gereformeerde kerk aan te treffen; in mijn beleving is de protestantse kerk in een dorp groter dan de gereformeerde. Gereformeerde kathedraal, noemt hij het. Hij zegt dat het tegenwoordig PKN is en dat er elke zondag vijf- tot zeshonderd mensen naar de kerk komen. Of heb ik dat verkeerd verstaan?
De rondleiding gaat verder. De kerk werd gebouwd als gereformeerde kerk in 1929, architect was Reitsma die ook betrokken was bij de Amsterdamse school. Inderdaad, de stijlelementen kwamen me al bekend voor. De kleuren op de muren vond men in het begin te fel; daarom werd er een waslaag overheen gelegd. Na de renovatie zijn echter de oorspronkelijke kleuren terug. Hij wijst hoe de kerk van binnen in twaalf segmenten is verdeeld, symbolisch voor de twaalf apostelen. Daar is tegenwoordig uitleg bij nodig, zegt hij.
In de toren bevindt zich de kosterswoning, kleine kamers/keuken boven elkaar, tegenwoordig in gebruik als ‘stencilkamer’. Ook de vergaderzaal wordt in oorspronkelijke staat teruggebracht, nadat in de zestiger jaren een plafond werd gelegd om de zaal beter (goedkoper) te kunnen verwarmen. De toren zwiept bij harde wind; de top wel een meter.
Hoog bovenop de dijk loop ik verder. De zon schijnt, maar het waait. De dijk gaat hier linksaf, precies zoals de West-Fries in de kerk al vertelde. Ik kan ook rechtdoor gaan en de dijk langs het IJsselmeer blijven volgen, maar het ziet er wat saai uit. Nog steeds ben ik in Andijk; het dorp strekt zich uit als een smal lint langs de dijk. Bij Buurtjeshaven zie ik een kerkje uit 1667, dat is omgetoverd in luxe-restaurant Meijer. Nog steeds heet het hier Andijk.
 
 
Het is tegen half vijf als ik de volgende plaats: Wervershoof bereik. Ik ben wel toe aan een tweede kop koffie. Zou de speeltuin horeca gelegenheid hebben. Ik daal de dijk af en steek het bruggetje over. Een heuse speeltuin, zoals die er waren toen ik klein was! Er moet intree worden betaald en de koffie is, neem ik aan voor toezicht houdende ouders.
Onder de dijk loopt een nogal drukke verkeersweg; nooit prettig lopen naast zo’n weg. Aan de kant van het IJsselmeer ligt een natuurgebied. Ik loop zelfs een stukje terug om te kijken of er niet door het natuurgebied kan worden gewandeld.  Maar het gebied bestaat uit losse beboste stukken land, gescheiden door water.
Ik blijf veroordeeld tot de dijk, al is de verkeersweg beneden rustiger. Ik passeer een gemaal, het Stoommachinemuseum, dat gesloten is omdat het inmiddels tegen zessen loopt. Ik nader nu Medemblik, mijn eindbestemming. Ik volg de aanduidingen van het Groot-Frieslandpad die mij langs Medemblik leiden, langs een strandje en een jachthaven. De golfslag in het IJsselmeer oogt veel rustiger nu het tegen de avond loopt. Hier verwacht je geen horeca, maar bij de jachthaven is het restaurant Med Trattoria gevestigd. Het personeel is bezig zich voor te bereiden op de avonddrukte. Ze willen mij wel van een kop koffie voorzien. Even rust ik uit op een comfortabele stoel, met uitzicht op het IJsselmeer en de jachten.
Als ik afscheid heb genomen van het vriendelijke personeel – ze praten Engels tegen me, waarom? – wil ik kasteel Radboud zien. De naam alleen al, intrigeert me. Ik ben hier tenslotte in Friesland en ooit was Radboud een Friese koning. Volgens het bordje was kasteel Radboud een dwangburcht, gebouwd in de 13e eeuw met de bedoeling de West Friezen te onderwerpen. Ooit zou de legendarische Friese koning Radboud een burcht op deze plek hebben gehad.  De 13e eeuw was de tijd van de Hollandse graven.
 
 
 
Ik moet mijn bus zien te vinden, ik loop richting Centrum langs grachten van het oude stadje. Ik loop maar, nog steeds niet moe: de koffie gaf nieuwe energie. Ik zie een groot gebouw dat wel haast het gemeentehuis moet zijn. Dan zie ik de aanduiding “Oude Haven’, moet hier het busstation niet ergens zijn? Dan zie ik bushaltes naast het oude spoorwegstation dat nog wordt gebruikt voor de stoomtram naar Hoorn. Het blijkt dat de laatste bus van lijn 239 over twintig minuten gaat.
Ik ben de enige passagier en dat zal ik ook blijven, de hele rit van Medemblik naar Hoorn.  Bij Abbekerk verlaten we de snelweg en rijden langs een verlaten bushalte. We rijden langs Wognum, wat is dat voor bekend gebouw? Het museum van Dirk Scheringa. Ooit zal Dirk Scheringa in Wognum een standbeeld krijgen, maar nu is de herinnering nog te vers..
Om tien voor acht vertrekt in Hoorn een trein naar Amsterdam-Centraal. Maar ik stap uit op Sloterdijk, deels om een Ethiopiër die in de stilte coupé een telefoongesprek zit te voeren. Hij ziet eruit als een nette jongen en misschien wel aardig ook. Alleen zo verdiept in zijn telefoongesprek dat andere reizigers er niet in slagen zijn aandacht te trekken en hem attent te maken van zijn overtreding.  Dat laatste stukje lopen vanaf Sloterdijk, langer dan vanaf CS, kan er nog wel bij.
 
 
 



woensdag 5 augustus 2015

Rondje Wieringen.


Om tien uur zit ik in de trein. Ik moet wel vroeg gaan want de afstand naar Den Oever vereist veel reistijd en de wandeling rond het voormalig eiland is een pittige. In Alkmaar mis ik bijna de Q-liner, die niet vertrekt vanaf het punt dat ik me herinner.  De bus moet wachten eer hij de weg op kan rijden, ik loop snel naar de zijkant van de bus. De chauffeur kijkt opzij en ik houd mijn Ov-kaart omhoog. En de deur gaat open. Ik bedank en zoek snel een plaatsje, riemen zijn in deze lange afstand bus verplicht. 

Na een uur arriveren we op het busstation in Den Oever. Zou Den Oever koffie gelegenheid hebben? Daarvoor moet je naar het centrum van een dorp c.q. stadje; het lastige van Den Oever is dat het geen kerk schijnt te hebben. Op goed geluk volg ik de Robbenoordstraat, linksaf Zwinstraat en ik kom uit bij een molen uit 1654. Hier vindt je café Flying Dutchman, dat gesloten is en een cafetaria dat om twaalf uur open gaat. Het is kwart vóór twaalf.

Ik besluit alvast de dijk op te gaan zoeken, loop onderweg binnen bij toeristeninfo. Daar word ik niet veel wijzer van: dijk volgen, zegt zij, koffie op de camping bij Stroe. Zij wenst mij een ‘prettige dag’. Terug naar snackbar Smultaria voor een kopje koffie. Iedereen groet mij in Den Oever.

Als ik de Hofstraat doorloop en linksaf sla naar de Nijverheidsstraat afloop kom ik bij de haven. Er is bijna niemand op straat; het waait hard. Op de dijk heb ik uitzicht op de haven met vissersboten, een pier en in de verte de Afsluitdijk. Ook staat er een monument voor de verdwenen vissers.  Ik loop een stuk de pier op om een ander uitzicht op de haven te krijgen. In de verte zie ik wel een kerk, nog steeds Den oever of een ander plaatsje?

 

De Michaël kerk van Oosterland op Wieringen.
 
 
 
 
Ik begin het zware dijklichaam af te lopen, optornend tegen de krachtige wind. De toren van de kerk komt steeds dichterbij en ik ontdek dat het de kerk van het plaatsje Oosterland is. Een robuuste toren, zoals je zou verwachten op land dat oud is en heel lang werd bewoond. De kerk heet Michaëls kerk en er worden concerten in aangekondigd. Het is één uur en ik ben aan lunch toe, een plekje uit de wind langs de heg van een woonhuis, daar zet ik me neer. Een man op een fiets komt aanrijden om te kijken wat ik daar doe. Blijkbaar is hij gerustgesteld want hij draait om.
 
 
Een half uurtje later vertrek ik uit Oosterland. Het is blijkbaar eb, het water staat laag en er liggen dikke pakketten zeewier, in groene en zwarte kleuren. Soms zijn er inhammen in de dijk; daar staan extra palen om de aanstormende golven op te vangen bij stormweer. Op regelmatige afstanden steken pieren in de zee, maar ze bestaan uit stompjes van houten palen. Overblijfselen uit de tijd toen de zeewering uit houten palen bestond, vóór de paalworm zijn intrede deed?
Een fietser komt mij tegemoet, zonder te trappen blaast de wind hem over het brede asfalt.
Ik verwissel het asfalt van de dijk langs de zee voor de top van de dijk, die begrast is en beweid wordt door schapen. Zo krijg ik uitzicht op Hollands welvaren: de boeren van Wieringen. Het loonbedrijf is er aan het werk, tot mijn verbazing worden pakjes geslagen. Ik dacht dat boeren alleen maar inkuilden tegenwoordig: die balen met donker plastic erom heen die je zo vaak op het land ziet liggen. Hier wordt ouderwets hooi in pakjes geslagen en de pakken hooi worden met een tractor met vorkhef op een wagen getild. In het volgende weiland is een tractor bezig het verspreid liggende hooi in rijen te vegen.
 
Ik bereik de camping/bungalowpark van Stroe en daar vind ik restaurant “Bij Ons Thuis’, waar ik binnen koffie bestel. Het is half vier als ik de Marskedijk langs Hippolytushoef afloop; een saai recht stuk dijk. Een bomenweggetje voert naar het dorp. Het is verleidelijk er niet even een kijkje te nemen, maar dan schiet mijn wandeling helemaal niet meer op. Onderaan de dijk – om enigszins te ontsnappen aan de harde wind - eet ik een paar boterhammen. In de verte doemt land op: het moet de punt zijn waarop Den Helder ligt. Er is geen branding, maar wad dat droog ligt. Is het nog steeds eb?
Ik nader het einde van het eiland Wieringen, dat deel uitmaakt van de Gemeente ‘Hollands kroon’, zoals overal bij de dorpjes aangegeven staat. Ik loop om de camping heen, de dijk wijkt hier naar binnen. Dan zie ik de voetgangersbrug over de N99 en aan de overkant een oorlogsmonument. Ik beklim het trappetje; het is er heerlijk rustig, onder de ruisende bomen merk je niets van de harde wind. Als ik de kaart raadpleeg blijkt dat ik nog iets verder moet lopen om het Amstelmeer te bereiken.
De wind ruist in de bomen; de zon schijnt en links van mij ligt een hellend maïsveld. Hier is duidelijk dat Wieringen een hoogte vormt, een keileemplateau daar neergelegd tijdens de laatste ijstijd. Het water klotst tegen de oever van het Amstelmeer. Hier is een bushalte, een bus naar Den oever rijdt hier en de bus komt over een minuut. Maar nee, ik wil nog meer zien van Wieringen.
Het is kwart voor vijf en ik droom van patat met pindasaus en rauwe uitjes, met een pilsje erbij. Daar doemt Bistro Lutje op aan Lutje’s strand, precies het soort gelegenheid waar ze dit soort maaltijden verkopen. Ik moet nu wel naar binnen, een plekje langs het raam met uitzicht op het stormachtig Amstelmeer, waar mijn wens geheel in behandeling wordt genomen.
De patat wordt gebracht in een plastic bakje en aan de manier waarop zij het voor mij neerzet weet ik dat het niet gaat smaken. Waarom houden mensen die niets met eten hebben zich ermee bezig? Dat begrijp ik nooit. De serveerster gaat zitten om haar eigen avondeten te gebruiken. Waarschijnlijk om de drukte voor te zijn. Haar dochtertje(?) vouwt servetten. Het interieur bestaat uit bric á brac’s die overal zijn gevonden, zoals een zwarte zanger achter een piano, een etalagepop, een plaatje waarop de solex wordt aangeprezen: ‘zuinig in onderhoud’.
Ik duik een paadje in, omzoomd door bomen, de wind ruist in de bladeren, de zon schijnt en nu ik niet langer langs zee loop heb ik warm. Ik neem een afslag naar het dorpje Westerland en fotografeer de kerk. Tegen de muur ontdek ik een afbeelding van St.Nicolaas. Het is vijf uur en ik heb nog zeker een derde van mijn wandeling af te leggen.
Langs glooiend land bereik ik De Hoelm, weer een dorpje. Hier pik ik de dijk weer op, ik volg de dijk tot ik bij een bordje kom met een aanduiding dat hier Noordhollandpad loopt. Ik klim over het hek; de dijk kronkelt door het landschap met rechts het Amstelmeerkanaal en links, aan de kant van het eiland: een sloot. Langs de voormalige zeekant is op sommige plekken nog de betonnen beschoeiing zichtbaar.

 
Ik loop tussen de schapen, tot ik kom bij de polder Waard-Nieuwland; hier splitst zich de dijk. Het stuk dat al het langst in onbruik is, begint hier en dat is te zien: De dijk is ongelijk en je moet oppassen bij het lopen. Bovendien is de dijk niet gemaaid of begraasd door schapen.
Ik volg het onregelmatige dijklichaam. Soms is de dijk ondergraven en meen ik wier te zien die volgens de info-borden tegen de dijk is gelegd. De dijk is een monument sinds 1986 en blijkbaar vindt onderhoud niet plaats.
 
 
 
De dijk wordt even onderbroken omdat de familie Rotgans hier een melkveehouderij runt en hun woonhuis is gebouwd op de geslechte dijk. Het is inmiddels half acht. Verder volg ik de dijk tot ik een bord zie met ‘welkom op de wandelroute’, maar de weg is versperd door prikkeldraad. Als ik even beter kijk blijkt de route, het Noordhollandpad aan de andere kant van het water de dijk verder te volgen. Ik volg het water, met aan de overkant een bungalow park. Nog een hoekje om en ik sta voor de A7. Het is acht uur, kan ik de bus van half negen halen?
Eerst moet ik uitzoeken hoe ik verder kan lopen. Er is een tunnel onder de autoweg door en ik kom langs de Zuiderhaven. Een weg met weinig verkeer, die langs de haven en jachthaven loopt. Langs het hek naast me grazen paarden, er staan bosjes en zie ik het goed? Daar loopt nog steeds de oude dijk. Ik volg de weg tot prikkeldraad de weg versperd voor de paarden, de dijk is dan dichtbegroeid en nog nauwelijks op te merken.
Mijn interesse gaat niet langer naar de dijk uit; ik wil de bus halen, maar waar is het busstation? De N99 komt hier uit en gaat met een viaduct onder de A7 door.  Ik zie daar de bussen, dus daar moet ik naartoe, onder het viaduct door. Het is vier minuten over half als ik het busstation bereik, dat er weer verlaten bijligt. Ik moet uur wachten, want alle bussen vertrekken op dezelfde tijd.
Ik besluit nog even Den Oever in te lopen om te kijken of het al vloed is geworden. Bovenop de dijk staat nog steeds wind, al is die wel afgenomen. Maar water en golven zie ik nog steeds niet; het wad ligt er zompig bij. Meer dan twintig minuten heb ik niet, ik moet weer terug naar de bushalte. Het kwartier dat ik nog moet wachten besteed ik aan het opnieuw vlechten van mijn haar dat door de wind los is geraakt.
Ik neem de bus naar Hoorn en op de parkeerplaats bij Abbekerk kan ik snel een foto nemen van de ondergaande zon. Een Ethiopische familie, mevrouw met vijf kinderen stapt hier uit. Ik blijf achter als enig passagier samen met een alsmaar telefonerende jonge dame achter mij. In Hoorn stappen wij in dezelfde trein maar ik zorg ervoor in een andere coupé te gaan zitten. Onderweg naar Amsterdam valt het duister in. Om elf uur bereik ik CS.