donderdag 5 mei 2016

Weer een dag op de Dipendraschool, samen met de oogkliniek, 27 april 2016.

Besloten is dat wij met z’n drieën: Peter,  Diego en ik bij de advocaat Madan Dhakal  gaan logeren. Dus pakken we onze koffers: het spijt is niet Dreamland hotel te verlaten. Op het menu zie ik het adres staan en dat neem ik over:

New Dreamland hotel & lodge
Dharan – 19, Sunsari
+977-25-525024

Diego en ik zullen vooruit gaan naar Dipendra school, er is een tuktuk voor ons besteld. Onze koffers blijven in de lobby, tot Dhagal komt met zijn auto. Onderweg in de tuktuk mist Diego opeens zijn bril. Hij is verziend en voor zijn werk heeft hij die bril nodig. De tuktuk rijdt eerst langs asfalt en daarna de stoffige grintweg, die leidt naar het deel van Dharan waar de arme mensen wonen, door een droge rivierbedding tot bij de muur rondom de school.

Binnen pijnigen wij onze hoofden wat te doen. Het nummer van Peter hebben we niet, Henk heeft een Nepalees telefoonnummer genomen en ondanks dat ik het heb gevraagd niet zijn nieuwe nummer gegeven. Dan herinner ik dat ik het nummer van Dreamland lodge noteerde, vanmorgen aan het ontbijt. Diego probeert te bellen met zijn nieuwe smartphone, maar die werkt niet in Nepal, dan trek ik mijn telefoontje tevoorschijn: Ik toets het nummer in en de telefoon gaat over. Het kost wat moeite de jongen van de receptie uit te leggen dat hij Peter of misschien Henk aan de telefoon wil hebben, maar het lukt. Niet lang daarna wordt de bril gebracht.

Voor vandaag staat behalve de tandarts ook een oogarts op het programma. Niet alleen voor de kinderen van de school en het kindertehuis, ook arme mensen uit de buurt kunnen gebruik maken van de gratis service. Allemaal goede publiciteit voor het project, zegt Henk.

Er ontstaat commotie buiten, meer en meer mensen vullen de binnenplaats.  Henk waarschuwt: Nepalezen houden van ceremonies, en we gaan er een te zien krijgen. Niet alleen dat; op gegeven moment komt Dhakal mij halen. We vertegenwoordigen de gulle gevers in Nederland en men wil ons eren. In het midden zit Henk; hij krijgt een bloemenkrans rond zijn nek gelegd. Wij worden vereerd met een rode streep okerpoeder op het voorhoofd, een witte sjaal (kata) om en een bosje bloemen.


Henk moet een toespraak houden en hij zegt dat ceremonies heel leuk zijn maar er alsjeblieft niet te veel tijd aan moet worden verspild. Niemand luistert of verstaat het. Alles wordt op film gezet en zal bij de lokale tv-zender worden uitgezonden.


Er lopen mensen rond van de oogkliniek, zij controleren wat er gebeurt. Zij vragen mijn naam en nationaliteit en die van Diego, die Spanjaard is. Zij staan onder leiding dikkige man,  die een restaurant blijkt te hebben. Als de lunch voor gasten en personeel op een vuurtje naast de school wordt bereidt, blijkt dat voor ons eten wordt gebracht vanuit zijn restaurant. 



’s Avonds zijn we uitgenodigd bij de gezette man, die Amerikaans Engels spreekt; hij heeft in de VS gewerkt, maar kwam terug omdat hij houdt van zijn land, zegt hij. Zijn restaurant is donker; de elektriciteit is uitgevallen. Dat gebeurt regelmatig overdag; als er wel elektriciteit is gaan wij snel onze mobiles of laptops opladen. De kaarsen op tafel zorgen voor extra warmte nu de fan niet draait, maar maken ook dat het gezellig is. Gesprekken gaan over politiek; de ruzies tussen Nepal en India. China dan, als buur? Maar daar voelt men niets voor; cultureel heeft Nepal meer gemeen met India.

Het restaurant is blijkbaar gesloten, want andere gasten zijn er niet. Drie of vier mensen lopen er rond om ons te bedienen. Het voedsel dat op tafel komt heeft toch veel weg van fastfood. Jammer dat de gewoonten om slecht voedsel te eten zo snel worden overgenomen. Overigens blijkt later dat de lunch in de school voor rekening van onze stichting komt. Henk noemt de royale avondmaaltijd: een sigaar uit eigen doos.

zondag 1 mei 2016

Dharan, Dipendra school, 26 april 2016.

Vandaag Dental Camp op de Dipendra school. Om zeven uur op en om half acht vertrekken, na een ont bijt van geroosterd brood, boter en ei. Het hotel is niet gezellig; mijn badkamer heeft een kraan die niet werkt, de douche is niet warm en de betonnen vloeren nodigen niet uit. Het terras is iets gezelliger, ware het niet dat ’s avonds de generator aangaat met een hoop herrie. Wel is er een vlammenboom die op het punt staat te gaan bloeien en vol mussen zit.


Wat gaat de dag brengen? Henk denkt dat ik een dossier moet maken met foto’s van alle kinderen. Dus post ik in de tandartskamer en begin mijn werk. Globaal gaat het zo: Suna, een van de onderwijzeresjes maakt formulieren; voor elke patiënt een. Vervolgens vraag ik haar twee patiënten binnen te laten, die worden gefotografeerd en ik schrijf de naam op. Daarna wachten ze tot ze aan de beurt zijn. Ik wil steeds dat er een of twee klaar staan, want het werkt het snelst als de tandartsen: Ram uit Kathmandu en onze Diego achter elkaar door kunnen werken.

Ram is een Nepalese mondhygiënist uit Kathmandu, die ons achterna is gereisd en samen met Diego de patiënten controleert en behandelt. Als praktijkruimte wordt een schoollokaaltje ingericht. Belangstelling is er genoeg; als je niet oplet loopt iedereen naar binnen, vooral als iemand een bepaald tandheelkundig probleem heeft gaat allemaal erom heen staan. Het zoontje van de onderwijzeres glipt naar binnen. De onderwijzeres (trouwens op hun paasbest gekleed in prachtige sari’s) hebben de functie van assistente. Met handschoenen aan lopen zij rond de tafel en proberen de juiste instrumenten aan te reiken door ernaar te wijzen. Echt veel Engels spreken ze niet. Ram spreekt wel Engels en hij moet vertalen als Diego de patiënten een mededeling wil doen.



Een patiënt heeft een verstandskies die bijzonder hardnekkig is, het wordt een waar gevecht. 

Autorit naar Dharan, Oost Nepal, 25 april 2016,

Onze nachtrust werd verstoord door honden. De zwerfhonden getuigen van hun bestaan, vooral een hond blijft maar door blaffen, anderen vallen vervolgens in.  Om vier uur, als ik wakker wordt is alles rustig.


Op de binnenplaats van Dunkhar guesthouse slaan wij het begin van de dag gade. Twee serveerstertjes vegen de binnenplaats, tot ze in een hoekje hun toilet gaan maken: haren kammen, zich wassen. Blijkbaar wonen ze in  het kamertje aan de binnenplaats. Aan een gebouw even verderop wordt gewerkt, schade aan de aardbeving? Tenslotte komt Henk naar beneden, tevoren drukte hij iedereen op het hart dat we om zeven uur zouden vertrekken. Nu versliep hij zichzelf.



We gaan eerst ontbijten: we lopen door nauwe, onregelmatige straatjes, voortdurend weg getoeterd door brommers. Veel mensen dragen stofkapjes, de lucht is zwaar van het stof en de uitlaatgassen. Een kort loopje brengt ons bij Boudha Stupa, plots zijn we te midden van het Tibetaans boeddhisme. Mensen lopen rond de tempel, in een nooit eindigende rij, met de klok mee. We gaan een koffiehuis binnen en vinden een plek met uitzicht op de tempel. Op het terras van de tempel staan mensen elkaar bakstenen door te geven. De tempel is beschadigd door de aardbeving, maar wordt nu hersteld.


Ons ontbijt is genuttigd en Subhar belt: die staat klaar met de jeep bij het guesthouse; hij gaat ons naar Dharan brengen langs de nieuwe weg, die de Japanners hebben gemaakt; de weg is smaller, maar minder druk. Naar berekening zal het sneller gaan dan de bus, maar de kosten gelijk aan die van de bus voor 4 of 5 personen.

De koffers zijn al ingeladen, het meeste op het dak gesnoerd, de rest achterin. Maar eerst nog een zakelijke bespreking, we stoppen bij een SOS kinderdorp. Henk kent daar iemand en hij wil advies wat betreft de reorganisatie van de stichting. We gaan een donkere horeca binnen, die tevens winkel is. Thee en koffie worden gebracht en Henk haalt een organogram, een organisatiemodel tevoorschijn waar hij aan heeft gewerkt. De SOS-medewerker, een oudere Nepalese heer die al 36 voor de kinderdorpen werkt begint te strepen. Nee, zo zou hij het niet doen, want dan krijg je situatie zus. Diego legt uit dat werken nog iets meer moet zijn dan alleen geld verdienen. De man luistert vriendelijk en vertelt dat drie maanden geleden zijn vrouw aan kanker overleed. Op de een of andere manier denk je dat kanker in Nepal niet zal voorkomen, of tenminste minder.


De rit door de bergen begint, de weg is goed, maar niet breed en met veel (haarspeld) bochten. Gereden wordt in Nepalese stijl, veel afremmen en versnellen, toeteren zodra zich iets beweegt. Inhalen zodra even mogelijk is; auto’s rijden recht op elkaar af, je hoopt maar dat op tijd wordt ingevoegd. Ook kunnen tegenliggers je weinig ruimte geven bij het passeren, waardoor je langs de rand scheert.

Eén bepaalde vrachtauto is bijzonder hardnekkig in het weigeren zich te laten passeren, Met de snelle, wendbare jeep gaat Subhar het gevecht aan. Wilskracht is ervoor nodig en toeteren , ik kijk om naar Diego. Hij heeft gister zijn twijfels geuit over de weg door de bergen. Diego geeft tussen duim en wijsvinger aan hoe dicht we langs de afgrond zijn gescheurd, ongeveer 5 cm.

We stoppen van tijd tot tijd, we zoeken naar een lunchplek; misschien waar de bussen staan met toeristen? Dat suggereert Diego maar Subhar stopt in een klein plaatsje, waar op  een gevel ‘restaurant’ staat. Het blijkt dat de eigenaar alleen cola verkoopt; blijkbaar weet hij niet wat het woord betekent.

We bereiken de hoofdweg van Kathmandu naar India, brede stoffige weg, wandelaars, kudden koeien en geiten. Vrachtauto’s die een hoop uitlaatgassen uitbraken, alles gebruikt hier  de weg, al toeterend. De airco aan of de ramen open, we wisselen het af. De bevolking hier is Indisch, Brahmanen noemt Henk ze. Ze missen het vriendelijke, zachtmoedige van de Nepalezen en Tibetanen. Het zijn overlevers; de armoe is schrijnend.

De  tocht door de Lehan, de stoffige vlakte zet zich voort.  Subhan rijdt nu een beetje als een maniak, hij verklaart waarom: sommige tegenliggers weigeren te remmen of weten niet hoe ze moeten dimmen; dat maakt het rijden hier in het donker bepaald onprettig.Hij wil zovel mogelijk deze vlakte achter on hebben, eer het donker valt. De zon gaat onder rond zeven uur. Hoog opgetaste wagens met hooi en goederen rijden zonder verlichting.

We bereiken het gebied waar Nepal aan India grenst, hier komen de rivieren samen uit de Himalaya. Het is een gebied waarover ruzie bestaat tussen Nepal en India. Subhar vertelt niet zonder leedvermaak hoe India in de regentijd de dam afsloot waardoor het water aan de Nepalese kant steeg. Uiteindelijk openden ze toch de dam met als gevolg: een overstroming in India. We rijden naar het noorden en van tijd tot tijd wordt er gebeld: Saurov, in Dharan wordt op ons gewacht.  

Plots stopt Subhar de auto en stapt uit om de bagage te controleren. Hij hoorde het zijl klepperen en plots had hij zich afgevraagd of de koffers er nog wel waren. We hadden in de laagvlakte een vrij lange pauze genomen en de auto onbeheerd achtergelaten. 

dinsdag 26 april 2016

Nepal, 24 april 2016.

Net kocht ik met mijn credit-card een flesje water en een croissant. Euro munten accepteren ze niet; mijn ING creditcard wel. Een nacht in een Airbus A380-800. Het vliegtuig was bomvol en van slapen afgezien van wat doezelen, kwam weinig. Nu zitten we in een rustig hoekje van het enorme vliegveld. Er staan hier slaapstoelen en mijn medereizigers dommelen of hebben de Ipad op de schoot.
 Allereerst is er Henk, die de kindertehuizen heeft opgezet, nadat hij een Nepalese trouwde. Henk is maatschappelijk werker en houdt zich beroepsmatig bezig met asielzoekers.Toen ik gister op Schiphol kwam en me naar de afgesproken plek wilde begeven zag ik Henk voorbij lopen, in gezelschap van Diego. Diego is tandarts en gaat de gebitten van de kinderen nakijken, niet alleen van de scholen en het kindertehuis van de stichting, maar ook die van een bevriende organisatie. Zal een drukke week worden.


De vierde medereiziger troffen we bij de incheckbalie: het is Peter, de nieuwe penningmeester van de stichting. Er zijn plannen voor een nogal drastische reorganisatie in Nepal.  Door het ontbreken van een penningmeester vorig jaar is de boekhouder in Nepal er maar mee opgehouden. Ook de manager heeft niets gezegd hoewel hij de boekhouder op zijn verplichtingen had kunnen wijzen.

Beiden, de manager zowel als de boekhouder hangt ontslag boven het hoofd. Peter moet de nieuwe organisatie gaan opzetten en controleren. Henk denkt dat mijn aanwezigheid een positieve bijdrage kan leveren bij dit alles. Henk meldt nu dat we niets te eten zullen krijgen op de vlucht naar Kathmandu; het is een low budget vlucht en voor eten moet worden betaald. Dat is een tegenvaller, ontbijt hebben we ook al niet gehad. Peter denkt het wel vol te kunnen houden en Henk bijt in een appel. Ik haal koffie en een scone bij caffé Nero.




Om half elf besluiten we onze gemakkelijke stoelen te verlaten, de vertrektijd van ons vliegtuig is 12.20, maar we moeten naar een andere terminal. En een bus zal ons brengen. Er is verwarring of we naar boven of juist naar beneden moeten, we dalen een trap af en besluiten te vragen. We worden gedirigeerd naar de uitgang en horen dat we de bus wel kunnen nemen, alvast. Maar waar is Henk?

Opeens zijn we met z’n drieën. We besluiten te wachten; Henk moet hier langs, wil hij niet zijn vlucht missen. Diego gaat op onderzoek uit, we gaan naar het toilet, we wachten… We betrekken het personeel van de vertrekhal bij ons probleem. Ze zeggen niets te kunnen doen, maar we mogen een briefje achterlaten met onze namen, mocht Henk nog komen.

We stappen in de bus, we moeten willen we ons vliegtuig niet missen.. De bus doorkruist het vliegveld dat ons immens voorkomt, met een slakkengang. Alle verkeer op het vliegveld rijdt in hetzelfde tempo. We zien in de verte  de vliegtuigen van Flydubai , tergend langzaam rijdt de bus ernaar toe. Zo meteen moeten we nog rennen, willen we onze vlucht halen. Eenmaal in de terminal moet opnieuw de bagage gescand, alles op traytjes, in de rij. Rustig aan, werkt men hier. Een van de Arabische vrouwen besluit de rugzak van Diego te controleren. Alle speeltjes die hij voor de kinderen van het kindertehuis meebracht haalt ze een voor een tevoorschijn. Het is twintig over twaalf, de  vertrektijd van ons vliegtuig.

Maar de mensen bij de balie, waar we het briefje achterlieten, verzekerden ons dat het vliegtuig vertraagt is tot één uur. Hopen we dat deze info correct is. Daar is het: onze gate, F12, geen Henk. De laatste oproep voor de passagiers van onze vlucht klinkt. Geen tijd nog naar de wc te gaan, we moeten door de controle  Peter vraagt of Henk al heeft ingecheckt en Diego spelt de naam. Het antwoord luidt … bevestigend.

Opnieuw stappen we in een bus, die ons naar het vliegtuig gaat brengen. Buiten is het warm, 34 ° C, hoewel bewolkt en heiig. De bus rijdt een rondje om het vliegtuig en stopt achter een andere bus. Uit die bus zien we Henk uitstappen! Geen van ons geeft een kik; we zien hem de trap bestijgen. Bovenaan gekomen kijkt hij ingespannen, alsof hij uitkijkt naar ons.. Als we eindelijk naast elkaar onze zitplaatsen hebben ingenomen blijkt dat de balie, waar wij het briefje achterlieten, Henk te hebben doorgestuurd: de rest van het gezelschap zou wel komen.

Een wit wolkendek onder ons, turbulentie. Ik mag niet naar de wc, nog steeds niet want het bordje ‘fasten seatbelt’ brandt nog steeds. Henk en Diego bestellen ‘chickenwraps’ en betalen met hun credit-card. Ik krijg er een gratis, als troost omdat ik niet naar de wc mag?

De aankomsthal van Kathmandu is een aangename verrassing: geen steriel wit, zoals andere vliegvelden, maar de warme kleur van roodbruine stenen. En de donkere kleur van houten panelen. In de ontvangsthal ligt blauw tapijt op de vloeren. We moeten nu een visum aanvragen en dat kan zowaar elektronisch op een apparaat dat eerst je paspoort scant. We doorlopen alle vier de procedure en lopen daarna naar de kassa om het bedrag te voldoen. Men heeft liever euro’s dan credit card. Als ik het ontvangst reçu’tje aanneem zie ik dat het is voor 25 US$ terwijl ik euro’s betaalde. Ik vind het niet zo’n punt; Diego zegt er wat van en krijgt een euro extra terug.

Dan nog door de paspoortcontrole: tot mijn verbazing wordt mij gevraagd het visumformulier in te vullen en met pasfoto in te leveren: we hebben toch net alles ingevoerd? Ik kom als laatste terug in de rij; iedereen schijnt voor mij te mogen, Peter wacht op me terwijl de anderen de bagage zijn gaan verzamelen. De tweede keer krijg ik een vrouw, ze glimlacht naar me en informeert belangstellend wanneer ik ben vertrokken: zaterdag, zaterdagavond. Het lijkt alweer lang geleden. Later zie ik dat ze hoogzwanger is.

Twee taxi’s wachten, heeft Henk geregeld. De taxi’s zijn mini, later begrijpen we waarom: de straten van Kathmandu  zijn ook mini. De bagage gaat op het dak. Later Informeer ik nog eens bij Peter of hij echt niet dag formulier behoefde in te vullen: het is ook zijn eerste bezoek aan Nepal, 

woensdag 2 maart 2016

Wandeling langs de Anna Paulownapolder.


Er zijn weinig dijktrajecten in Noord-Holland die ik niet heb gelopen. De Anna Paulownapolder, drooggelegd in 1844 is er zo een. De winter was lang zonder noemenswaarde wandelingen en een mooie zondag is voorspeld.

Om twaalf minuten over negen zit ik in de trein naar Den Helder. De zon schijnt, maar onderweg zie ik een laagje ijs in een sloot. De wolken worden dikker naarmate de trein mij noordelijker brengt. Als ik uitstap in de plaats Anna Paulowna is het een uur later.

Eerst moet ik een rechte straat ten noorden van het plaatsje volgen om op mijn route te komen. Zoals vaker in de polders lopen hier twee wegen naast elkaar met een vaart ertussen; de ene weg is verkeersweg, de andere een soort ventweg. Aan de noordkant strekken zich velden en rietland uit.

Meteen aan het begin van de wandeling kom ik bij hotel-restaurant Kroon. Dat is boffen, hoef ik niet te zoeken naar mijn eerste kop koffie. Een groepje plaatselijke bewoners nuttigt er het ontbijt. In de krant lees ik dat in het museum een lezing wordt gegeven over de watersnood in de Anna Paulownapolder van 1916.

Het is kwart voor elf, als ik weer op weg ga. Even verderop splitst zich het Caloriepad af. Vermoedelijk voor joggers, maar zou het mij op de goede weg brengen? Ik waag het erop, het pad
geeft toegang tot het Kruiszwin, een beschermd natuurgebied, dat noordelijk van het dorp ligt. Ik volg de dijk, langs een dor rietveld. Aan het einde van het gebiedje leidt een bruggetje terug naar de dorpsstreek. Maar eerst kom ik in een tuin, aangeplant met bolgewassen. Jammer genoeg te vroeg om al in bloei te staan. Alleen wat kievitsbloemen(?) bloeien in polletjes. Wat ik al vermoed blijkt waarheid: de tuin behoort bij het Polderhuis. Net als Wieringerwaard heeft ook Anna Paulowna een polderhuis, van waaruit het, althans vroeger werd bestuurd.

 
Ik kom uit op de Molenvaart en aan de overkant staat de hervormde kerk, gebouwd in 1856. Van de Molenvaart leidt een brug over het Oude Veer. Vanaf de brug kijk ik uit over het water, dat ongetwijfeld al bestond vóór de inpoldering, in de vorm van een soort slufter op het Wad. Aan de overkant staat een molen en langs de horizon hangen kleine wolkjes. Wat wolken betreft in ieder geval belooft dit een spectaculaire dag te worden.
 
 
Als ik de dorpsgrens van Anna Paulowna bereik en niet langer de beschutting van de huizen ervaar, waait een fris windje uit het noorden, de zon komt nu wel tevoorschijn. Ik loop de polder in, richting Wieringerwaard. In de verte doemt al mijn oude vriend, de watertoren op. De verkeersweg buigt naar links en rechts ligt de dijk van de Wieringerwaard. Er is een overstapje en ik volg de dijk.
Hier wandelde ik eerder, ik passeer het oude gemaal en volg de dijk. Het wordt lunchtijd en in de luwte van de dijk, met de zon erbij is het aangenaam pauzeren. Ik verwissel mijn wollen sokken voor een katoenen paar en experimenteer met het nemen van foto’s door mijn zonnebril, wat mislukt. Even verderop ligt het nieuwe gemaaltje, op mijn vorige wandeling al in aanbouw.

De Pishoek met het nieuwe gemaal waar (onder) een smal bruggetje over een sluis verder leidt de Anna Paulownapolder in.

 
Ik amuseer me met het fotograferen van de wolken, waar telkens de zon even achter verdwijnt, om daarna weer tevoorschijn te komen. Ganzen foerageren op het land en vliegen in grote getale op. Snel neem ik een foto.
Om één uur sta ik op en pak mijn rugzakje weer in. Medewandelaars wachten op het sluisje; we groeten. Dan sta ik voor het lange, rechte dijktraject dat de polder beschermde voordat de Wieringermeer werd ingepolderd. Voor me doemt de strakke lijn op van de Amsteldijk. Ik steek de brug van de Ulkesluis over om de Amsteldijk in de oostelijke richting te belopen.
Tekenen van de vroege lente: overal bloeien sneeuwklokjes, madeliefjes steken hun kopjes op uit het gras, sommige bomen botten uit of hebben knoppen. Ik volg de Amsteldijk langs het Amstelmeer. Om aan de frisse wind te ontsnappen, loop ik beneden. Er is een brede talud met daarnaast een strook bomen. Saai om te lopen, telkens als ik een bocht maak, ligt weer eenzelfde dijktraject voor me.
Het is pas half drie en over een uurtje zal ik mijn doel bereiken. Ik besluit nog een pauze in te lassen om  te genieten van de zon. Ik ben nu zo ver de dijk rondgedraaid dat de kant van het meer de luwe kant is. Misschien is ook de wind afgenomen. Wel stoor ik de eenden die drijven op het water van het meer en op de vlucht slaan.
 
Vóór mij doemt Westerland op. Nog even de Haukessluis passeren en ik ben op voormalig eiland Wieringen. Ik volg een smal pad aan de buitenkant van de dijk, tot ik bij de camping kom aan het Lutjestrand, waar ik ook op mijn Wieringen-wandeling pauzeerde. Tot mijn verrassing is Bistro Lutje open. Wandelaars pauzeren op het kleine terras in de zon, uitzicht over het meer. Zonder me verder te bedenken stap ik naar binnen en bestel koffie. Appeltaart hebben ze niet, wel Wieringer jodenkoek. Vooruit maar, het suikerlaagje schrap ik er af; het smaakt als een bastogne koek. Je moet hier wel houden van Tiroler muziek. “Nee, is geen toeval,” zegt de serveerster tegen een klant die informeert.
 
Het is vier uur en ik moet op zoek naar de bus. De bushalte bij Lutjes bistro blijkt alleen op werkdagen in gebruik. De bus Den Oever – Den Helder komt hier langs de snelweg, weet ik. Is de halte meer richting Westerland? Maar als ik die kant oploop kom ik geen halte tegen. Ik heb nu een keuze: lopen naar Den Oever of terug naar Anna Paulowna, maar dan langs de verkeersweg. Dat laatste is korter, dus keer ik terug.
Het Balgzand mag niet worden betreden. In de hoop dat de dijk daartoe niet behoort beloop ik de dijk, terwijl beneden me de snelweg voort suist. Ik zie bus 135 voorbij rijden, dus toch! Maar de zon schijnt; ik loop tussen de schapen en als ik aan de verre kant  langs het hek loop zie ik het verkeer niet.
Om kwart over vijf bereik ik de Van Ewijcksluis. Vanaf hier is Anna nog vier kilometer, vertelt het bord. De zon schijnt maar neigt naar de kim. Hoe laat valt het duister rond deze tijd van het jaar?  Het is nog licht als ik tegen zessen de brug bereik waar mijn wandeling begon. Dit blijkt het uitgaanscentrum van Anna: jongeren slenteren rond, harde muziek vanuit een auto, Paulowners die uit dineren….

Gemaal Wijdenes Spaans, stoomgemaal uit 1874 dat een groot deel van de Anna Paulowna polder droog hield.
 
De snelste weg naar het station, ik volg de lange rechte straat. De treinen rijden eens per uur, maar ik weet niet op welke tijd. Dan bedenk ik dat ’s ochtends de trein uit Den Helder binnenreed toen ik uitstapte. Het spoor vanaf hier naar Den Helder is enkel en de trein uit Den Helder reed recht op de onze af alvorens op het tweede spoor te worden geleid. Als de treinen de hele dag op dezelfde tijden rijden, betekent het dat ik nog krap tien minuten heb. Ik versnel mijn pas. Komt er ooit een eind aan dit lange, rechte stuk? In de verte zie ik de palen langs het spoor, dan komt de overweg in zicht. Alles is rustig, maar net, terwijl ik dit constateer beginnen de bellen te rinkelen en de lichten rood te knipperen: een trein in aantocht. Ik begin te rennen, wat is dat station lang. Daar: een trap naar boven. Nu nog een incheckpaal, die staat er ook. Ik spring in de eerste openstaande treindeur die ik zie. Gehaald!
Dit zou het besluit van mijn verhaal kunnen zijn. Maar hier nog een stukje treinlore. Terwijl het buiten snel donker wordt vind ik een plekje  in de stiltecoupé. Ik installeer me en eet een overgebleven boterham op. Tegenover me soest een zwarte man. Dan komt de conducteur en bij de zwarte man constateert hij dat zijn OV-kaart niet van de man is. Een abonnement is persoonlijk, dit kan niet, hij gaat de kaart innemen. De zwarte man is verbijsterd, het abonnement is van zijn zuster en hij heeft er net € 20 op gezet. Dat kan de conducteur niet controleren, want zij heeft een andere naam.
Zij krijgt haar kaart terug van NS en de conducteur gaat een vervoersbewijs uitschrijven voor de zwarte man. Of hij ook een boete krijgt wordt niet duidelijk. De zwarte man wordt boos, wil de kaart terug hebben. In zijn ogen heeft hij de kas bij NS met die € 20 genoeg gespekt. Wordt ik hier getuige van agressie tegen NS-personeel?
Waarom legt die conducteur het belang van zijn actie niet beter uit? NS zal voor deze maatregel toch een goede reden hebben? Ik vraag het aan de conducteur, maar die herhaalt geduldig dat een abonnement op naam staat en persoonlijk is. De zwarte man wordt nu kwaad: “Ik maak jou kapot!” roept hij tegen de conducteur.
Van achter de conducteur klinkt uit de coupé een stem: “Rustig aan!” Nu springt de zwarte man overeind. Tot mijn verbazing richt zich zijn woede op de reiziger die zich ermee bemoeide: “Jou maak ik kapot!” De conducteur maant hem tot kalmte. Hij laat zich overhalen te gaan zitten en de conducteur begint aan het uitschrijven van zijn boete.
Heel zachtjes vraagt de conducteur welke adresgegevens hij mag noteren en de zwarte man antwoordt gedwee. Ondertussen stopt de trein, maar de werkzaamheden laat de conducteur over aan zijn collega. Als hij eindelijk klaar is gaat de zwarte man luidruchtig zitten skypen met zijn zuster en dan filmpjes bekijken met het geluid hard. In de stiltecoupé.

 
 
 
 
 
 
 

zondag 20 december 2015

West Friese omringdijk, Schermerhorn – Scharwoude.


Pas als het buiten licht is kun je zien wat het weer zal worden. Het duurt lang, dat licht worden zo vlak voor de kerst. Rond negen uur kleurt de zon vaag strepen boven de huizen, geen dicht wolkendek. Om tien uur zit ik in de bus naar Purmerend, waar ik over moet stappen op bus 129 naar Alkmaar. De Beemster doorkruisend  verwonder ik me over de oude boerderijen met klokgevel of zelfs een compleet herenhuis vóór de moderne ligbox stallen.

Op’t Zuidje in Schermerhorn stap ik uit, vandaar is het een paar passen lopen naar de kerk, en daar vind ik wat ik zoek: café ’t Lands Welvaren. Het café is open en ik ben de eerste en enige koffie drinker. Het is inmiddels elf uur. De kasteleinse zegt dat de magnolia in haar tuin op uitbotten staat; de temperatuur is zo zacht geweest de afgelopen periode: de bomen willen weer uitlopen. Even later komt een buurvrouw aanlopen. “Voor rouw en trouw doen wij alles,” hoor ik de kasteleinse zeggen. Ik laat een twee euro stuk achter op de tafel.

Als ik mijn koffie op heb steek ik de brug over en begin aan de wandeling langs de Beemster rondvaart. Ik heb geaarzeld waar ik etappe van de dijkwandeling zal laten beginnen. Eigenlijk loop ik rond de polder Mijzen. Ooit behoorde de polder bij West-Friesland, tot in 1344 de dijk doorbrak; men legde een inlaag, ongeveer halverwege de polder. Destijds troken onze voorouders zich terug voor het water, als de zee land nam. Als hun houding niet was gewijzigd bestond er nu geen Noord Holland meer! Het water noordelijk van Schermerhorn heet 't Zwet, wat grens betekent: de grens tussen West Friesland en het Schermereiland.
 
Al lopend langs de ringvaart, op de polderdijk denk ik even het monster van Loch Ness te ontwaren. Er wordt gewerkt aan uitdieping van de vaart. Langs de lengte ervan ligt een pijpleiding in het water. Er wordt iets door de pijp gepompt dat lichter is dan water, waardoor de pijp zich uit het water verheft, wat lijkt op de rug van een groot dier.
De zon schemert tussen de wolken, koud is het niet: muts en wanten hoeven niet aan. Ik passeer Oostmijzen, en daar is de Walingsdijk. Ik bevind me weer op de Omringdijk en besluit een stukje te lopen, langs de Ursummer vaart: een gietijzeren bord bij een voetgangersbrug, bevestigt: dit is de Omringdijk.
De Mijzerpolder, vanaf een bruggetje over de Ursummervaart.
 
Op een bankje, enigszins uit de wind eet ik mijn lunch, daarna is het tijd is voor een tweede kop koffie.  Daarvoor moet ik misschien richting kerk Avenhorn in lopen? In ieder geval is het hotel op het waterknooppunt ’s winters dicht en ook een koffietent even verderop.  Maar Avenhorn is een langgerekt dorp en ik verzeil in de nieuwbouw. Op zulke momenten verafschuw ik het lopen: het gaat zo langzaam!
Uiteindelijk bereik ik de kerk van de Goorn, het volgende dorp. Alleen een snackbar is open. Om niet helemaal voor niets een uur te hebben verspild neem ik koffie, maar eigenlijk heb ik niet het geduld het op te drinken. De dagen zijn kort in december en ik ben nog niet op de helft van mijn wandeling. Snel loop ik langs de verkeersweg terug naar het waterknooppunt, waar ik een bordje zag met ‘Oudendijk’.
Oudendijk bereik ik na twee kilometer en zie hier: koffie met appelgebak aan het water, en nog open ook. Had ik gewoon door moeten lopen i.p.v. mezelf te verliezen in Avenhorn!  De dijk waarlangs ik nu loop heeft een muur langs de kant van de uitwatering van de Beemster. Ik loop tussen de polders Beetskoog en Beschoot, over de Omringdijk. Ik trek nu zelfs mijn jas uit en loop in trui.
 
In Oudendijk hangt een informatiebord waarop ik lees dat 20 jaar is geprocedeerd door bewoners om het recht te verkrijgen tot bruggetjes over de Uitwatering, nadat de Beemster was drooggemalen. Het resultaat is dat ik minstens zeven witte voetgangersbruggetjes tel over de vaart. De vaart wordt doorsneden door twee verkeerswegen, waarvan een gelijkvloers, en een spoorwegovergang.
 
Bij de spoorwegovergang ontdek ik een boerderijtje dat bijna volledig is overwoekerd door bruidsluier. Er woont nog iemand ook, te oordelen naar de auto die er geparkeerd staat.
Ik bereik het IJsselmeer; onmiddellijk stijgt de dijk met meters. Hier moet ik een keuze maken: Schardam 1 kilometer of Scharwoude 2 kilometer. Ik weet dat de bus naar Amsterdam hier ergens de snelweg verlaat en via de dijk naar Hoorn rijdt. Die bus wil ik nemen, maar waar stopt hij? Ik gok op Scharwoude. Er zijn schapen; ik loop hoog bovenop de dijk, zonder jas.

Het is half vier en de zon begint te zakken. Ik bereik het monument dat vertelt dat ik ook nu over een inlaagdijk loop. De oorspronkelijke dijk liep recht naar Hoorn en niet zoals nu: met een boog. In 1319 brak de dijk door en werd deze hoek prijs gegeven. Voorbij de Rietkoog loop ik pal langs het IJsselmeer en ik bewonder de beschoeiing: helemaal beneden het donkere basalt, netjes in elkaar gepast zoals men doet met een moderne dijk. Hogerop liggen keien, deels begroeid met mos. Nog hoger liggen een soort van betonnen palen. Dit moet oude beschoeiing zijn, maar waarom zo hoog  langs de dijk?
Scharwoude komt in zicht: kan ik hier de bus pakken? Vlakbij de kerk blijkt de halte en over tien minuten komt de bus.  Het is kwart over vier en de bus is vol met schoolkinderen die huiswaarts gaan. De chauffeur zegt tegen mij dat er wel plek is. Ik verbaas me erover hoe hij dat weet, comfortabel gezeten op de bestuursstoel, met alle handels en panelen binnen handbereik. Waarschijnlijk zijn er camera’s zodat hij de hele bus in de gaten kan houden. Relaxt baantje heeft zo’n chauffeur.
In Oosthuizen stappen de scholieren uit de bus en ik kan een plaatsje zoeken. De bus van R-Net volgt zijn weg langs de N247, terwijl het buiten donker wordt, langs Edam, Monnickendam, Broek in Waterland. Het is zes uur als de bus het busstation IJzijde in Amsterdam oprijdt.
 
 

 
 
 

zondag 15 november 2015

Wandeling rond de Wieringerwaard.


Een mooie dag is voorspeld, na dagen met regenbuien en grijze najaars luchten. Als ik de 9.12 pak naar Schagen is het zonnig met wolkjes. De jas kan onderweg al uit, buiten is het 16° C. In Schagen besluit tot een snelle kop koffie, de avonden worden korter; het wordt vroeger donker: ik moet het daglicht goed benutten. Tegenover het station Schagen ontdek ik Pic, dat geheel aan mijn wensen voldoet, zij het dat de radio een ietsje te hard staat. Ik ben de enige klant.

Al snel bevind ik me weer op weg richting Omringdijk, de bekende weg langs een huis dat ‘Ons Nessie’ heet en het Wad, dat misschien ooit wad was maar toch binnen de omringdijk ligt. De geschiedenis hoe de omringdijk tot stand kwam is verloren gegaan door gebrek aan schriftelijke bronnen. Wel schijnt er noordelijk van de polder land te zijn geweest, want ik las in een boek dat in 1772 men verkenningen uitvoerde voor het inpolderen van de oostelijk van de polder gelegen Waard. Daarbij stuitte men op vermoedelijke resten van wierdijken. Ook oude kerkhoven zijn gevonden. Ook namen van dorpen zijn in de volksoverlevering bewaard gebleven, al vertelde men dat in die dorpen reuzen zouden hebben gewoond. Daarmee wordt duidelijker het belang van de omringdijk: men wilde niet nog meer land aan de zee verliezen.[i]

Ik bereik de Slikkerdijk, die ik eerder al liep: een saaie recht lange dijk waar een weg naast ligt. Ik loop bovenop de dijk, al loopt het lastig tussen de graspollen en schapenpaadjes die voor onze voeten net te smal zijn. Nergens zie je wielen, dat klopt ook wel, want de Slikkerdijk was maar heel kort zeewering. In hetzelfde jaar dat de Zijpe polder gereed kwam besloot men tot inpoldering van de Wieringerwaard.
 
Rond het middaguur bereik ik Oudesluis. Waar ooit een zeesluis was is het nu een slaperig dorp, waar ik als enige op straat verkeer, behalve de bulldozer die op de dijk aan het werk is. Er is een hervormde kerk waar zondags dienst is.
Ik zet mijn wandeling voort, loop een stukje terug voor de afslag, de Noordwesterdijk. De dijk is kaarsrecht, niet dat charmante geslinger van de Omringdijk met af en toe tekenen van dijkdoorbraak in de vorm van wielen. De dijk is begraasd en er lopen schapen; ook loopt het Noordhollandpad over deze dijk.
 
Na een half uur houd ik pauze, zittend op een achterlaten boerenwagen geparkeerd naast de dijk. Als ik mijn jack om mijn schouder sla tegen het zuchtje wind, is het er goed toeven. Ik kijk naar de windmolens: als de zon erop schijnt lijken ze wit van kleur, maar zodra de zon achter de wolken verdwijnt veranderen ze naar donkergrijs.
Zicht op het dorp Wieringerwaard.
 
 
Aan de dijk bij dorp Wieringerwaard staat een windmolen, enig overgeblevene van de vijf die ooit de polder bemaalden. Dominerend over het dorp is de watertoren die je vanuit de verte al ziet. Een rechte weg voert het dorp in; bij de watertoren en ik zie een bord met de aanduiding dat de toren open is als het hek openstaat en er ook koffie is. Dat wil ik graag, maar eerst loop ik verder het dorp in op zoek naar het polderhuis. Opgeleverd in 1611, enkele jaren nadat de polder was drooggelegd, vervulde het de functie van stadhuis/gemeentehuis. De casteleyn, de politieagent voor de polder was er gevestigd.
Omdat het polderhuis zelden werd gebruikt – de hoge heren, investeerders/eigenaars van de polder vergaderden er zelden, zij verkozen het steenhuys te Alkmaar voor hun bijeenkomsten -  werd het in 1656 deels te koop gezet. En ook nu staat het te koop. ‘Unieke kans!’ schreeuwt het bord in de tuin. Ja, prachtig en groot huis maar afgelegen. Misschien moeilijk een bestemming voor te vinden? Achter het polderhuis ligt een lap grond waar zich een boomgaard of tuin bevindt achter een dichte heg.
 
Ik loop nu de weg terug en sla het hek in van de watertoren. De deur naar de loods ernaast staat open en als ik binnenstap is een oudere Westfriese heer aan het werk. De loods blijkt opslagplaats voor antiek, curiosa en de heer loopt ongevraagd naar achteren om voor mij de lichten aan te doen. Ik vraag of hij koffie heeft, maar dat is alleen in de zomertijd, zegt hij. Ik raap een foldertje op: ook een rondleiding door de watertoren blijkt in het zomerseizoen mogelijk. Leuke plek om te pauzeren tijdens de dijkwandelingen die ik voor volgend jaar wil te gaan organiseren.
Omdat de watertoren geen koffie schenkt en ik geen zin heb de weg terug het dorp in nog eens af te leggen, kies ik terug te lopen en mijn wandeling langs de dijk voort te zetten. Ik passeer het oude gemaal Polderweg, dat de windmolens verving maar op zijn beurt wordt vervangen werd door computergestuurde gemalen, waarvan er een in aanbouw is verder op de dijk bij de  Pishoek. Het infobord verteld dat de pompen uit Amerika kwamen en in 1946 hebben geholpen de Wieringermeer droog te malen, nadat door de Duitsers de dijk was doorgestoken.
Uitwerpgang van het poldergemaal Molenweg.
 
 
Half drie pauzeer ik langs een in herfstkleuren getooide bomenrij, even buiten dorp Wieringerwaard. In plaats van appelgebak eet ik hier mijn appel op. Terwijl ik langs de dijk zit trekken donkere wolken op voor de zon, als ik opkijk is de zon weg en ook een beetje kouder. Tijd om verder te gaan.
Als ik de Pishoek bereik, de verbinding met het Amstelmeer, zijn er weer sluisdeuren; op de sluis is een overgang naar de Anna Paulownapolder, die samen met Groet- en Waardpolder pas rond 1845 werden ingepolderd. Even verder stuit ik op het nieuwe gemaal in aanbouw. Sporen van zware rupsbanden markeren de dijk, waarop ik loop.
Ik bereik het dorp Nieuwesluis; hier werd volgens de geschriften het tweede huis van de polder gebouwd, een café. Het dorp ligt er al even rustig bij als de eerdere. Wat mij het meest verbaasd is dat de dijk hier ophoudt. Er is een aftakking naar links, dat het Noordhollandpad volgt, maar dat is de dijk van de latere Waardpolder, volgens de oude kaarten liep hier de dijk rechtdoor, maar van die dijk is geen spoor te vinden; na het dorp loopt de weg gewoon naar beneden.
Ik volg een stukje verkeersweg tot ik weer een bord ‘Wieringerwaard’ tegenkom, hier begint de Barsingerweg, een van de belangrijkste wegen in de polder. Eigenlijk zijn het twee wegen met een sloot ertussen, wat de bedoeling is van twee wegen met bruggetjes hier en daar over de sloot is niet duidelijk, wel heeft het een eigen karakter. Langs de Barsingerweg staan prachtig versierde oude boerderijen.
Het lopen langs een weg is vermoeiend; bovendien is deze weg een recht stuk waar maar geen eind aan komt, ik ga zelfs de bomen erlangs tellen. Uiteindelijk bereik ik Kreil en de omringdijk; het is inmiddels half vijf. Hier ben ik op bekend terrein en om toch enige variatie aan de wandeling te geven sla ik de Mieldijk in waardoor ik door het dorp Barsingerhorn ga lopen. De zon gaat onder en laat zich als een rode bol nog even zien boven de wolkenbanken aan de horizon. Onderweg heb ik geregeld huizen en boerderijen te koop zien staan, maar in Barsingerhorn staat zelfs de kerk te koop.
In Barsingerhorn is een bushalte, de bus komt er ook net aan, maar gaat naar Obdam en vandaar heb ik geen goede verbinding, nog even volhouden tot Schagen. In de huizen gaan de lampen aan  en ik zie mensen gezellig aan de tafel zitten of voor de tv. Een mevrouw die mij achterop fiets zegt in het voorbij rijden dat ik aan de verkeerde kant loop. Zij heeft gelijk, het is inmiddels donker en ik moet zorgen dat ik zie wat komt of zelf gezien word. Ik vind een rood lampje in mijn rugzak dat ik aan de koordjes op de rugzak bevestig, daarna ga ik links lopen. Zo bereik ik Schagen waar ik om zes uur een trein neem.
 
 
 
 



[i] Voor de geschiedenis van de Wieringerwaard, zie het boek ‘Heren, boeren en knechten’ van J.T. Bremer.